Naar hoofdinhoud
Degenen die het godsdienst- of vormingsonderwijs geven, zorgen ervoor dat: zij in het bezit zijn van een geneeskundige verklaring, dat hij/zij geen ziekte of gebreken heeft, welke hem/haar voor de uitoefening van de functie ongeschikt maken; zij zich ervan onthouden iets te leren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met de eerbied, verschuldigd aan de overtuiging van andersdenkenden; zij zich gedragen naar de aanwijzingen door de directeur van de basisschool te geven en dat de plaats en het tijdstip van de lessen in overleg met de directeur van de basisschool worden vastgesteld; zij de directeur van de basisschool op verzoek alle gewenste inlichtingen verstrekken teneinde de goede gang van zaken binnen het onderwijs op de school te waarborgen.

Rechtspraak bij dit artikel