De subsidie wordt berekend naar het werkelijke salaris, waarop de godsdienst- of vormingsleerkracht aanspraak zoo hebben gemaakt, indien hij/zij als vakleerkracht, bezoldigd naar het beginsalaris, behorend bij de normfunctie als bedoeld in artikel I-R202 van het Rechtspositiebesluit onderwijs-personeel, in dienst van de gemeente was geweest en naar het aantal wekelijkse lesuren, dat gods-dienst- of vormingsonderwijs wordt gegeven.