Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Indeling in categorieën

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand

Hierin worden de standaardmaatregelen voor de vijf categorieën van gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen verbonden aan het recht op bijstand. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd is in ogenschouw genomen: De proportionaliteit en evenredigheid van de maatregel in relatie tot de verwijtbare gedraging. De verwachte bijdrage van de maatregel aan de beoogde gedragsverandering bij belanghebbende. Tweede lid De hoogte en de duur van de maatregel Tot de eerste categorie behoren de relatief lichte vergrijpen: de standaardmaatregel hiervoor bedraagt vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Er is tevens een mogelijkheid om bij een (eerste) constatering van een verwijtbare gedraging uit deze eerste categorie een waarschuwing op te leggen in plaats van een maatregel (op grond van het derde lid van artikel 9). Tot de tweede categorie behoren de relatief lichte vergrijpen die wél een relatie hebben tot de plicht tot arbeidsinschakeling en / of die in lichte mate financiële gevolgen hebben. De standaardmaatregel bedraagt tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Tot de derde categorie behoren de gedragingen die een aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. De standaardmaatregel bedraagt twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Tot de vierde categorie behoren de zwaar verwijtbare gedragingen. De standaardmaatregel bedraagt honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Tot de vijfde categorie behoren de zwaar verwijtbare gedragingen waarbij bewust een uitkeringsonafhankelijke(r) situatie wordt geweigerd dan wel opgegeven. De standaardmaatregel bedraagt honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Derde lid Recidive Er is sprake van recidive in het geval belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit hetzelfde artikel van deze verordening. Bij recidive kan het percentage óf de periode van de standaardmaatregel in verband met de tweede verwijtbare gedraging worden verdubbeld. Bij voorkeur wordt het percentage verdubbeld. In het geval een belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging opnieuw verwijtbaar gedrag vertoont, wordt de hoogte en de duur van de maatregel individueel vastgesteld. Door bij het bepalen van recidive een scheiding tussen de verschillende artikelen aan te houden wordt voorkomen dat een relatief lage maatregel van 5%, binnen 12 maanden een verdubbeling oplevert indien een maatregel inzake de arbeidsverplichtingen ( categorieën 2, 3 en 4) wordt opgelegd. Aangezien dit om een ander soort gedrag gaat, en de verhouding zoek is. Voor de bepaling van recidive telt niet mee: de verwijtbare gedraging waarvoor een waarschuwing is afgegeven (artikel 9 derde lid) en de geconstateerde gedraging waarbij iedere vorm van verwijtbaarheid ontbrak (afzien van een maatregel op grond van het ontbreken van verwijtbaarheid, artikel 6 eerste lid en tweede lid) Artikelen 10 t/m 14 Indeling van gedragingen in categorieën In de artikelen 10 t/m 13 staan de gedragingen per onderscheiden categorieën nader uitgewerkt. Artikel 10 gaat in op de arbeidsverplichtingen van belanghebbenden, artikel 11 somt de overige verplichtingen uit de WWB op, artikel 12 betreft het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en artikel 13 gaat over zeer ernstige misdragingen. In de onderstaande toelichting volgt per categorie een opsomming van de verwijtbare gedragingen. Eerste categorie (artikel 14 eerste lid) Hieronder vallen de gedragingen die te maken hebben met het niet tijdig nakomen van de informatieplicht. Het gaat hier bijvoorbeeld om het niet op tijd verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. Hierbij is artikel 54 WWB van toepassing. Het recht op bijstand kan worden opgeschort en belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld binnen een termijn het verzuim te herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan de bijstandsuitkering worden beëindigd (het intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. De hoogte en de duur van de maatregel van de eerste categorie is geregeld in artikel 9, tweede lid onderdeel a. Waarschuwing bij gedragingen uit de eerste categorie In de verordening is geregeld dat het afgeven van een waarschuwing in plaats van een maatregel zeer beperkt wordt toegepast. Namelijk alleen als er sprake is van een gedraging uit de eerste categorie en alleen dan wanneer belanghebbende gedurende de twee voorgaande jaren geen waarschuwing of maatregel uit de eerste categorie heeft opgelegd gekregen. Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dat wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de recidiveregeling. Tweede categorie (artikel 10 eerste lid en artikel 11 ) In artikel 10 lid 1 onderdeel a gaat het om de formele verplichting zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV Werkbedrijf en te doen blijven. Dit betreft een wettelijke verplichting die in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de wet is opgenomen. In artikel 10 lid 2 onderdeel b gaat het om de verplichting tot het ondertekenen van een trajectplan zoals die in de Re-integratieverordening is opgenomen. In artikel 11 onderdeel a gaat het om het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de algemene medewerkingsplicht voor zover dit geen directe gevolgen heeft voor de arbeidsinschakeling en geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstandsnorm. In artikel 11 onderdeel b gaat het om de nadere verplichtingen die op grond van artikel 55 en 57 van de wet kunnen worden opgelegd. De hoogte en de duur van de maatregel van de tweede categorie is geregeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b. Derde categorie (artikel 10 tweede lid en artikel 12 eerste lid) Hier vallen de gedragingen onder die direct aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgestelde trajectplan. Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht en het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid. De definitie van algemeen geaccepteerde arbeid is iedere vorm van betaald werk met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dat algemeen maatschappelijk aanvaard is en geen gewetensbezwaren oproept (artikel 10 derde lid onderdeel a). Bij toekenning van de bijstand (of in een later stadium) wordt aan de belanghebbende de plicht tot arbeidsinschakeling opgelegd. Een onderdeel van deze wettelijke verplichting is mee te werken aan een voorziening om arbeidsinschakeling te realiseren. De Haarlemse voorzieningen staan in de re-integratieverordening. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand. Het niet voldoende verlenen van medewerking aan een voorziening dan wel traject leidt tot vertraging. De gedragingen in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat de voorziening definitief geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken, die gericht zijn op de arbeidsinschakeling, verschijnt of opdrachten in het kader van een scholing dan wel traject niet naar behoren uitvoert (artikel 10 derde lid onderdeel b). De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd (artikel 12 eerste lid). Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals: - een onverantwoorde besteding van vermogen; - het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering. Hieronder volgen enkele voorbeelden waaruit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid blijkt: Te snelle intering vermogen Een vrouw ontvangt bij de boedelscheiding een bedrag € 32.000. Vanaf het moment dat de vrouw feitelijk kan beschikken over dit vermogen, zal zij dit op verantwoorde wijze moeten interen. De interingsnorm is anderhalf maal de bijstandsnorm plus de eventuele benodigde particuliere ziektekostenverzekering. De (alleenstaande) vrouw zal dan circa anderhalf jaar in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien. In het geval de vrouw binnen een jaar een beroep moet doen op bijstand, kan de bijstand worden verleend onder toepassing van een maatregel van 20 procent gedurende een half jaar. Deze werkwijze is conform jurisprudentie.Onderbedeling bij echtscheiding Door bij echtscheiding in te stemmen met een onderbedeling is een situatie ontstaan waardoor eerder een beroep op bijstand is ontstaan. Hierdoor wordt blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De hoogte en de duur van de maatregel van de derde categorie is geregeld in artikel 9, tweede lid onderdeel c. In afwijking hiervan kan in het geval van het tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid de maatregelperiode langer worden vastgesteld (zie het voorbeeld). Vierde categorie (artikel 10 vierde lid en artikel 13) Het gaat hier om dezelfde soort gedraging als bedoeld in de derde categorie onder b, echter met dit verschil dat de gedraging heeft geleid tot het definitief geen doorgang vinden of afbreken van de voorziening. In de praktijk zal beëindiging van een voorziening dan wel traject pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen werken. Zonder traject is arbeidsinschakeling voor de desbetreffende belanghebbende niet mogelijk, waardoor het gedragingen betreft die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken (artikel 10 vierde lid). Met het zich zeer ernstig misdragen wordt met name bedoeld agressief gedrag (artikel 13). Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan. In het kader van deze verordening wordt gesproken van ‘zeer ernstig misdragen’ als het gedrag verwijtbaar is en het gedrag in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Er moet een verband bestaan tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. En tot slot kan er geen maatregel worden opgelegd als belanghebbende zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Bij het vaststellen van de ernst van de gedraging kunnen de volgende vormen van agressief gedrag worden onderscheiden: – verbaal geweld – discriminatie – intimidatie – zaakgericht fysiek geweld (vernielingen) – mensgericht fysiek geweld – combinatie van agressievormen Voor de mate van verwijtbaarheid is het onderscheid tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld relevant. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een doel te bereiken. Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke behoort tot het frustratiegeweld. Deze laatste vorm is in (mindere) mate verwijtbaar dan het instrumenteel toepassen van geweld. Haarlem heeft een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve cliënten. Deze regels zijn ook van toepassing op cliënten van de afdeling SZW. De hoogte en de duur van de maatregel van de vierde categorie is geregeld in artikel 9, tweede lid onderdeel d. Vierde categorie (artikel 10 vierde lid onder b en c) Essentieel bij de hier genoemde gedragingen is dat de belanghebbende door de weigering of het onvoldoende meewerken bewust afziet van de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk onafhankelijk van een bijstandsuitkering te worden of blijven. Artikel 10 lid 4 onderdeel b heeft betrekking op het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: parttime of fulltime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. In deze categorie gedraging gaat het om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens werkweigering of ontslag op eigen verzoek. In deze gevallen wordt een aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Tenzij achteraf anders blijkt, neemt SZW de constatering van de UWV dat er sprake is van verwijtbaarheid over. Mocht in het bezwaar en beroep tegen de weigering van de WW-uitkering blijken dat het ontslag niet verwijtbaar is, dan kan er in het kader van de WWB ook geen sprake zijn van verwijtbaarheid. Als de belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal SZW een eigen onderzoek naar de verwijtbaarheid moeten instellen. Artikel 10 lid 4 onderdeel c heeft betrekking op het niet of onvoldoende meewerken aan een voorziening die een uitkeringvervangend inkomen biedt, zoals arbeid in het kader van Workfirst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel