Op grond van dit hoofdstuk kan het college van burgemeester en wethouders geldelijke steun verlenen voor het treffen van voorzieningen ten behoeve van restauratie van monumenten, voor zover het betreft:
door eigenaren bewoonde woningen alsmede particuliere huurwoningen, als geregeld in paragraaf 3.2;
niet particuliere huurwoningen, zoals geregeld in paragraaf 3.3;
overige, van gemeentewege beschermde objecten, zoals geregeld in paragraaf 3.4;
niet-ingrijpende voorzieningen, zoals geregeld in paragraaf 3.5;
voorbereidingskosten, zoals geregeld in paragraaf 3.6.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden beeldbepalende panden met monumenten gelijkgesteld.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
monumenten die ingevolge een besluit van het college van burgemeester en wethouders bestemd zijn gesloopt te worden;
monumenten die nog niet onherroepelijk zijn beschermd danwel waarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de bescherming zou moeten worden opgeheven;
beeldbepalende panden die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet voor bescherming als monument in aanmerking komen.
De geldelijke steun wordt berekend over de aanvaardbare kosten van de te treffen voorzieningen, waarop de tegemoetkoming die op grond van enige andere, door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen subsidieregeling is of kan worden verkregen in mindering wordt gebracht.
Ingeval van brandschade worden de aanvaardbare kosten berekend aan de hand van de kosten van de te treffen voorzieningen minus de bij voldoende dekking uit te keren verzekeringspenningen, uitgaande van een verzekerde som die tenminste gelijk is aan de herbouwwaarde van de woning.
De geldelijke steun wordt verleend aan de eigenaar van het monument waaraan de voorzieningen worden getroffen.
Het in het vorige lid geldt niet als het gaat om een monument waarvan de eigenaar krachtens de Woningwet onherroepelijk is aangeschreven en de in de aanschrijving bepaalde termijn waarbinnen deze voorzieningen dienen te worden getroffen ongebruikt is verstreken. In dat geval wordt de geldelijke steun in mindering gebracht op de door de gemeente gemaakte kosten in verband met het treffen van voorzieningen.
In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders van het tweede, derde, vierde en zesde lid afwijken.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.2
Grondslag en werkingssfeer
Onderdeel van Gemeentelijke subsidieverordening stadsvernieuwing