1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de
weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of
hinder te duchten is.
2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht,
dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot
brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt
belemmerd.
3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg
en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet
wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.