De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip
van de zitting waarin de belanghebbenden en het
bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de
commissie te doen horen.
Ingevolge artikel 7:13, lid 3 kan de commissie het horen
opdragen aan de voorzitter of een lid van de commissie.
De voorzitter beslist over de toepassing van de artikelen
7:3 en 7:17 van de wet.
Indien de voorzitter op grond van de in het tweede lid
genoemde artikelen besluit van het horen af te zien doet hij
daarvan mededeling aan:
de belanghebbenden;
het betreffende bestuursorgaan.
HOOFDSTUK II › Paragraaf 2
Artikel 9
Hoorzitting
Onderdeel van Verordening Adviescommissie bezwaarschriften