Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Paragraaf 2

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van GEMEENTELIJK BESLUIT BIJZONDERE BIJSTAND WWB

1.. Het inkomen dat voor de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen, wordt over een periode van 12 maanden vastgesteld beginnend op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere kosten – zowel incidentele als periodieke - zijn gemaakt. 2.. Het inkomen zoals bedoeld in het eerste lid dient betrekking te hebben op een periode waarin beroep op bijstand wordt gedaan. 3.. Bij de vaststelling van het inkomen over de periode zoals bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van regelmatig genoten inkomsten uitgegaan van deze inkomsten over de laatste gebruikelijke betalingsperiode voorafgaand aan de maand waarin de bijzondere kosten zijn gemaakt. 4.. Bij de vaststelling van het inkomen over de periode zoals bedoeld in het eerste lid worden niet regelmatig genoten inkomsten bepaald op de som van deze inkomsten over een periode van 12 maanden voorafgaand aan de maand waarin de bijzondere kosten zijn gemaakt. 5.. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt. 6. In afwijking van het tweede lid wordt bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige alsmede de kunstenaar die een uitkering ontvangt ingevolge de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK) rekening gehouden met het inkomen over het boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt vastgesteld. Een teruggave van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als inkomen aangemerkt. 7. Bij de toepassing van het tweede en derde lid kan reeds rekening worden gehouden met een wijziging van omstandigheden die binnen de periode zoals bedoeld in het eerste lid zal optreden.

Rechtspraak bij dit artikel