Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 6

De Commissie

Onderdeel van Verordening bestuurscommissie "Winkler Prins"

1.. De commissie bestaat uit 7 leden afkomstig uit de diverse maatschappelijke geledingen. 2.. De raad benoemt de leden op voordracht van een benoemingsadviescommissie. De benoemingsadviescommissie bestaat uit een lid van de commissie, een lid van de centrale directie, een lid van de medezeggenschapsraad en een lid van de raad. Elke voordracht aan de raad dient vergezeld te gaan van een advies van de medezeggenschapsraad. 3.. De leden van de commissie dienen op één of meer van de volgende taakvelden van de commissie deskundig te zijn: onderwijskundig beleid, personeelsbeleid, financieel beleid, juridische zaken en materieel en financieel beheer. Bestuurlijke ervaring strekt tot aanbeveling. Een vertegenwoordiging vanuit de ouders is sterk gewenst. 4.. Leden van de raad, het college, personeelsleden in dienst van de openbare scholengemeenschap “Winkler Prins”, leden van de medezeggenschapsraad en leerlingen van de openbare scholengemeenschap “Winkler Prins” kunnen niet tot lid van de commissie worden benoemd. 5.. De leden van de commissie onderschrijven de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. 6.. Indien in de commissie, om welke reden dan ook, een of meer commissieleden ontbreken, dan vormen de overblijvende commissieleden niettemin een commissie in de zin van deze verordening. 7.. Een lid van de commissie mag niet: als advocaat, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de commissie dan wel ten behoeve van de wederpartij van de commissie; als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de commissie of in die hoedanigheid deelnemen aan het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO); als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de commissie als bedoeld in onderdeel d; tenzij de raad daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft verleend, mag een lid van de commissie rechtstreeks of middellijk geen overeenkomsten sluiten met de commissie indien daarbij door dit lid financieel dan wel anderszins zakelijk voordeel wordt genoten.

Rechtspraak bij dit artikel