**1..** In aanvulling op artikel 1.6 wordt een vergunning in ieder geval ingetrokken indien:
voor een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder a en b, van de Wet, niet de vergunning van kracht is die ingevolge de voor die inrichting geldende bepalingen vereist is;
niet langer voldaan wordt aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a van de Wet geldende eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag;
er sprake is van (on)middellijke uitbetaling op behendigheidsautomaten.
**2..** Een vergunning kan worden ingetrokken indien:
de vergunninghouder de bij of krachtens Titel Va van de Wet vastgestelde bepalingen heeft overtreden;
de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
**3..** In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onder a en artikel 1.6, kan de burgemeester alvorens de vergunning in te trekken, de vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen een daartoe te bepalen termijn tot naleving van de bij of krachtens Titel Va van de Wet vastgestelde bepalingen of de aan de vergunning verbonden voorschriften over te gaan.
**4..** Intrekking van de vergunning geschiedt niet voordat de burgemeester van zijn voornemen daartoe de vergunninghouder bij aangetekende brief, onder opgave van redenen, mededeling heeft gedaan en hem in de gelegenheid heeft gesteld zich in persoon of bij gemachtigde door hem of een door hem aangewezen ambtenaar te doen horen. In het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, kan, indien dringende omstandigheden zulks vorderen, de vergunning onmiddellijk worden ingetrokken.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.3.16
Intrekking van de vergunning
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg 2003 (8e wijziging)