De burgemeester heeft de bevoegdheid om, indien en voor zover dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een maximale periode van vijf jaar ten behoeve van toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar het toezicht zal plaatsvinden.
De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 14 van de Politiewet 1993, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid van dit artikel bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats.
De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de handhaving van de openbare orde worden vastgelegd en gedurende ten hoogste 7 dagen worden bewaard.
De vastgelegde beelden, bedoeld in het zevende lid, worden aangemerkt als een tijdelijk register in de zin van de Wet politieregisters. Met inachtneming van de Wet politieregisters kunnen uit dat register gegevens worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd strafbaar feit.
De burgemeester informeert terstond na het nemen van het besluit als bedoeld in het tweede lid, de raad over de inhoud van het besluit alsmede de redenen welke tot dat besluit hebben geleid.