Ieder jaar zendt de burgemeester een beknopt verantwoordingsverslag aan de raad over het gevoerde cameratoezicht waarin motivering, effect, proportionaliteit en subsidiariteit worden beschreven.
De raad kan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde periode telkens verlengen met een periode van maximaal vijf jaar voor zover de noodzaak daartoe rekening houdend met de uitkomsten van het verslag als bedoeld in het eerste lid blijkt.
Naast het verslag als bedoeld in lid 1 van dit artikel, verricht de burgemeester een tussentijdse evaluatie indien hij de duur van het cameratoezicht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, drie jaar of langer heeft bepaald.
Indien de in lid 3 van dit artikel genoemde tussentijdse evaluatie uitwijst dat voortzetten van het cameratoezicht op de betreffende openbare plaats(en) als bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet langer noodzakelijk is ter handhaving van de openbare orde, besluit de burgemeester dat het cameratoezicht op de openbare plaats(en) wordt beëindigd eerder dan de periode die hij bij besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft vastgesteld.