1. 1. Burgemeester en wethouders verlenen geen subsidie indien:
    • - met het treffen van de voorzieningen het belang van de monumentenzorg niet of in onvoldoende mate wordt gediend;
    • - de kosten van de voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat;
    • - met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat de aanvrager een subsidiebeschikking heeft ontvangen;
    • - voor de betreffende voorzieningen binnen een termijn van 15 jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag wordt ingediend subsidie is verleend;
    • - voor de te treffen voorzieningen een monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend;
    • - wanneer door toekenning van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Deze aanvragen krijgen in het daaropvolgend jaar prioriteit boven nieuwe aanvragen.
    • - de kosten voor restauratie voortvloeien uit schade waartegen verzekering mogelijk is.
  2. 2. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onder c en d.