Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 29, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 29, onder a., onmogelijk maken dan wel
een algemene voorziening als bedoeld in artikel 29, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5
Artikel 31
Het primaat van een algemene voorziening
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Leidschendam-Voorburg 2007