Lid 1
Bij aanstelling kennen burgemeester en wethouders de ambtenaar het salaris toe dat in de voor hem geldende schaal is vermeld achter het salarisnummer 0.
Lid 2
Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat.