**1..** Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a
of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7,
eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid
eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid
opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld
of uitkering.
**2..** Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
werkloosheid begrepen:
het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
dienstbetrekking;
het gedurende een periode van een maand vervuld hebben
van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
bestaat.
**3..** Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig
werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
betrokkene :
binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder
a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en
in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet.
**4..** Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld
met gewerkte weken.
**5..** De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.
**6..** Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering
als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de
betrokkene.
**7..** Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende
lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is
ingekomen.
Hoofdstuk 11 › Paragraaf
Artikel 11:20
Artikel 11:20
Onderdeel van Arbeidsvoorwaardenregeling Venray