In deze verordening wordt verstaan onder:
agrarisch bedrijf: bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
bebouwde kom: gebied dat door Gedeputeerde Staten als zodanig is aangewezen op grond van artikel 27 van de Wegenwet.
baggerspecie: materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem van een oppervlaktewater, of de voor dat water bestemde ruimten en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm, organische stof in een verhouding en met een structuur, zoals deze van nature in de bodem wordt aangetroffen, evenals van nature in de bodem aanwezige schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot en met 63 mm.
bedrijfshaven: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde haven;
beschermd klein landschapselement: onderdeel van een klein landschapselement dat als beschermwaardig is opgenomen op de waardenkaart kleine landschapselementen.
boatsaver: drijvende of vaste constructie met geringe hoogte boven een wateroppervlak bestemd ter bescherming van een vaartuig tegen weersinvloeden.
bord: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, op of tegen een bouwwerk aangebracht, dan wel vrijstaand, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies.
bouwperceel: een aaneengesloten terreinoppervlak, waar krachtens het geldende bestemmingsplan een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
dempen: geheel of gedeeltelijk dichtgooien en/of dichtgegooid houden van wateren of tijdelijk drooggevallen wateren, zoals sloten, greppels, slenken, wielen en sleuven.
egaliseren: vlak of gelijk maken, nivelleren of vereffenen van de bodem.
erf: tuin of onbebouwd terrein behorend bij een woning, bij de woningen op de begane grond van een wooncomplex, dan wel bij een overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften aanwezige zomerwoning, woonwagen, of woonschip. Tot het erf wordt in principe ook de ten opzichte van het erf meest nabije oever gerekend, die door een openbare weg en/of een ander perceel van dat erf gescheiden wordt, tenzij het aan de openbare weg, dan wel het aan het andere perceel grenzende deel van het erf het karakter van een uit-, of inrit, of oprijlaan heeft, of het scheidende perceel een agrarische, natuur- of industriële bestemming heeft.
goothoogte: verticale afstand vanaf de waterspiegel tot de snijlijn tussen het dakvlak en een verticaal gevelvlak.
groene contour: de begrenzingen van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: ecologische hoofdstructuur).
houtopstand: houtige gewassen, die onderdeel zijn van een beschermd klein landschapselement.
informatiezuil: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, aangebracht op, dan wel gedragen door een zuilvormige constructie.
insteekhaven: kleine, in een particulier terrein uitgegraven haven, die bedoeld en geschikt is als ligplaats voor een vaartuig.
jachthaven: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde haven.
klein landschapselement: qua oppervlakte of volume beperkte groene component in het landschap, die bijdraagt aan de opbouw, structuur, invulling, identiteit en belevingswaarde van dat landschap, en die niet onder de Boswet (dan wel de Wet natuurbescherming) valt.
kunstuiting: object, dan wel een bord, informatiezuil, spandoek of vlag, dat zoals blijkt uit de plaatsingsgeschiedenis kennelijk bedoeld is als locatiegebonden artistiek expressiemiddel en niet als drager van een commerciële, of reclameboodschap.
maaiveld: gemiddelde hoogte van de vaste bodem op een locatie, zoals vastgelegd in het Actueel hoogtebestand Nederland (AHN).
Natuurnetwerk Nederland en de groene contour: het in de Provinciale Ruimtelijke Verordening begrensde natuurgebied en potentieel natuurgebied.
object: ruimtelijk element of constructie, niet zijnde een bord, informatiezuil, spandoek of vlag.
ophogen: storten ten behoeve van het tijdelijk of definitief ophogen van de bodem.
partyschip: vaartuig gebruikt als commercieel passagierschip voor het houden van feesten en partijen, al dan niet in combinatie met rondvaarten gedurende meerdere uren.
plat dak: dak met een verticale hellingshoek van het dakvlak van ten hoogste 3 graden.
reclameobject: object, dat gebruikt wordt voor reclamedoeleinden.
rode contour: begrenzing van het stedelijk gebied, zoals vastgelegd in de geldende Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie krachtens de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO).
rommelterrein: een terrein dat zich buiten het erf of buiten een in het bestemmingsplan aangewezen bedrijfsbestemming bevindt, dat gebruikt wordt voor het al dan niet geordend bewaren of opslaan van voorwerpen, materieel, apparaten, goederen of al dan niet los gestort materiaal.
spandoek: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als spandoek te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies.
steiger: drijvende of boven water aangebrachte constructie waarop gelopen kan worden, bedoeld om vaartuigen aan af te meren.
storten: op of in de bodem brengen van stoffen om ze daar langdurig of permanent te laten.
stortplaats: locatie, waar gestort, gedempt, opgehoogd of geëgaliseerd wordt.
takhout: takken en boomstammen met een grootste diameter van maximaal 8 cm, dat vrijkomt bij reguliere snoei- en dunningswerkzaamheden in houtopstanden.
vaartuig: voorwerp of constructie, gereed of in aanbouw, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd of ingericht voor het vervoer over water van personen of goederen.
vellen: kappen, rooien of verplanten van een houtopstand, met inbegrip van kandelaberen en snoeien voor zover dat meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel betreft, alsmede andere handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging en/of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
vlag: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als vlag te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies.
voet: overgang van het maaiveld naar een op dat maaiveld geplaatste constructie, depot, wal of grondlichaam.
waardenkaart: topografische kaart waarop de locaties van krachtens deze verordening beschermde elementen zijn ingetekend, met de bijbehorende beschrijving.
waterscoutinglocatie: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde locatie.
woonschip: vaartuig, dan wel in of op het water geplaatst voorwerp, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als dag- of nachtverblijf van een of meer personen, dan wel, te oordelen naar zijn constructie, inrichting of getroffen voorzieningen daartoe uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is.
Hoofdstuk I
Artikel 1