**1..** Ontheffingen van het verbod in artikel 12, eerste lid, kunnen alleen verleend worden voor woonschepen op ligplaatsen, waarvoor op de datum van het inwerking treden van deze verordening al een ontheffing geldt krachtens de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 of de landschapsverordening provincie Utrecht 2011 en voor woonschepen op ligplaatsen, die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen.
**2..** Gedeputeerde Staten kunnen ligplaatsen aanwijzen, waarvoor na afloop van een geldende ontheffing geen nieuwe ontheffing meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere ontheffingshouder, dan wel met betrekking tot hetzelfde of een ander woonschip.
**3..** Onverlet het bepaalde in het eerste lid kunnen ontheffingen worden verleend met toepassing van een typen- of oeverbeleid, voor wisselligplaatsen, of met toevoeging van een verplaatsingsclausule.
**4..** De houder van een ontheffing kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de ontheffing op naam van een ander te stellen, dan wel ontheffing te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie.
**5..** Het besluit over de ontheffingsverlening wordt genomen gehoord het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, tenzij de ontheffingsaanvraag betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande ontheffing of verlenging van de ontheffingsperiode.
**6..** Voor zover de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht daar niet in voorziet, neemt de ontheffing tenminste de volgende criteria in acht:
De lengte, breedte en hoogte van een woonschip zijn met inbegrip van een eventueel bij het schip aangelegd terras, respectievelijk ten hoogste 18,00 m, 6 m en 3,50 m, tenzij het gaat om een woonschip met historische waarde; in dat geval mag de lengte ten hoogste 30 m zijn.
Bij een dak, niet zijnde een plat dak, is een nokhoogte van ten hoogste 4 m toegestaan, mits de goothoogte ten hoogste 3,50 m bedraagt en het dak in de lengterichting slechts één knik bevat, die zich in horizontale richting tenminste 1 m van de snijlijn van het dak met de buitenwand van het woonschip bevindt.
De onderlinge afstand tussen twee woonschepen bedraagt tenminste 5 m.
Bij woonschepen in een uiterwaard mag de aanlegplaats op de oever geen voorzieningen hebben en dient het woonschip het uiterlijk te hebben van een varend voormalig binnenvaartschip met historische waarde.
**7..** De maten bedoeld in het voorgaande lid worden vastgesteld waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn; de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.
**8..** Bij het vaststellen van de maten blijven buiten beschouwing:
Masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen;
Dakoverstekken, voor zover zij niet meer dan 30 cm buiten de gevel uitsteken;
Loopranden met een maximale breedte van 80 cm, voor zover de betreffende zijde van het woonschip niet op andere wijze bereikbaar is.
**9..** Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de criteria in het zesde lid.
Hoofdstuk IV › Paragraaf 1
Artikel 14