1. Het is verboden een parkeermeter op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeermeter staan aangegeven in werking te stellen.
2. Het is verboden op een parkeermeterplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan:
a. een motorvoertuig te parkeren indien het parkeerapparaat niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld;
b. een motorvoertuig geparkeerd te houden indien het parkeerapparaat aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. Indien de parkeerbelasting wordt geheven door middel van een parkeerautomaat, zal door het achter de voorruit van het motorvoertuig aanbrengen of neerleggen van de uit de parkeerautomaat verkregen kaart/betalingsbewijs moeten blijken of de hiervoor vermelde verbodsbepalingen niet worden overtreden. De dag en het tijdstip van afloop van de parkeertermijn, afgedrukt op deze kaart/dit betalingsbewijs, dienen nog niet verstreken te zijn en moeten duidelijk leesbaar zijn vanaf de buitenzijde van het voertuig, behoudens het bepaalde in het derde lid.
3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid dient de betaling, indien het inwerkingstellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het aanmelden bij de centrale computer van de gemeente dan wel van het bedrijf of de instantie waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of ander communicatiemiddel, te geschieden binnen twee maanden na de dag waarop het belastbare feit heeft plaatsgevonden.
4. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het vergunningsbewijs duidelijk zichtbaar achter de voorruit van het motorvoertuig is geplaatst en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 8