Naar hoofdinhoud

Artikel 6

PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Kampen

Als een jeugdige in aanmerking komt voor een individuele voorziening kunnen jeugdige en/of ouders kiezen tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget. Om een zo goed mogelijke keuze te kunnen maken, informeert het CJG de jeugdige en/of ouders. Ook informeren zij aanvragers over de voor- en nadelen van de keuze. Zorg in natura betekent dat de gemeente hulp, begeleiding en voorzieningen voor de jeugdige en/of de ouders inkoopt. De gemeente heeft hiervoor contracten afgesloten met zorgleveranciers. De gemeente is eindverantwoordelijk voor de daadwerkelijke levering van de benodigde hulp. Jeugdigen en/of de ouders krijgen op basis van een doorverwijzing of beschikking het recht op een bepaalde voorziening, gedurende een afgebakende hoeveelheid tijd. De gemeente regelt de administratieve zaken, zoals de betaling, met de jeugdhulpaanbieder. Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag waarmee de jeugdige en/of de ouders zelf zorg, begeleiding, hulp en voorzieningen kunnen inkopen. De budgethouder kiest zelf zorgverleners, begeleiders of leveranciers uit. Jeugdige en/of de ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de financiële administratie en de verantwoording van het budget. Het PGB wordt verstrekt door de gemeente / het CJG. De hoogte van het PGB is gebaseerd op het goedkoopst adequate alternatief zorg in natura. Als de gemeente een PGB verstrekt betekent dit dat de gemeente via het zogenaamde trekkingsrecht een geldbedrag via de Sociale Verzekerings Bank (SVB) aan de inwoner ter beschikking stelt. Hiermee kan de inwoner zelf de benodigde voorziening inkopen. De gemeente kan het PGB alleen bij individuele voorzieningen toekennen en dus niet bij algemene voorzieningen. Het PGB voor zowel jeugd als volwassenen sluit zoveel mogelijk op elkaar aan in verband met rechtsgelijkheid. Dit is geregeld op basis van de PGB bepalingen in de nieuwe Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). In deze beleidsregels zijn, de belangrijkste regels opgenomen over voorwaarden, weigeringsgronden, besteding en verantwoording van het PGB. De tarieven PGB zijn opgenomen in ‘Gemeente Kampen: tarieven en toeslagen jeugdzorg 2016’, welke een separate bijlage vormt bij deze beleidsregels. De tarieven worden jaarlijks en zo nodig ook tussentijds aangepast. Er is een aantal verschillen tussen het PGB en de zorg in natura. Bij zowel zorg in natura (ZIN) als een PGB bepaalt de jeugdige of ouder zelf wie zij als zorgverlener kiest. Bij ZIN heeft de zorgverlener een contract met de gemeente. Bij ZIN levert de jeugdhulpaanbieder de zorg en voert ook de administratie daaromheen. De jeugdige of ouders hoeft daar zelf niets voor te doen. Bij een PGB sluit de jeugdige of ouder zelf een overeenkomst af. De administratie dient te worden geregeld via de Sociale Verzekerings Bank (SVB). De SVB betaalt de zorgverlener. De salarisadministratie kan ook aan de SVB worden uitbesteed. Soms kiezen jeugdigen of ouders (met een PGB) voor hulp die duurder is dan dat de gemeente op basis van “het goedkoopst adequaat” verstrekt. Deze meerkosten vallen buiten het PGB. De inwoner krijgt het PGB op basis van de goedkoopst adequate voorziening in natura en betaalt de rest zelf bij. De risico’s die deze keuze met zich mee brengt, zijn voor de aanvrager zelf. 6.1 Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een PGB In het gesprek met jeugdige en ouders wordt een plan opgesteld om de ervaren problemen aan te pakken en bij voorkeur op te lossen. Onderscheid wordt gemaakt in zorg en ondersteuning op drie niveaus: sociale infrastructuur (gebruikelijke zorg, eigen netwerk, informele zorg en ondersteuning); algemene voorzieningen; individuele voorzieningen in het kader van specialistische jeugdhulp Als de jeugdige en/of de ouders in staat is om met gebruikelijke zorg en op het niveau van sociale infrastructuur een oplossing te vinden voor de hulpvraag, is een PGB niet nodig. Dan wordt dus geen PGB verstrekt. Aan de hand van de beleidsregels(zie hoofdstuk 3) kan worden getoetst of er sprake is van gebruikelijke zorg. Onder gebruikelijke hulp door ouders wordt verstaan de noodzakelijke zorg op het gebied van persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding die, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Bij de beoordeling worden de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van die handelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd betrokken. Bij gebruikelijke zorg wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende zorgsituaties en langdurende/chronische zorgsituaties. In kortdurende zorgsituaties, met uitzicht op dusdanig herstel en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, wordt van ouders verwacht dat zij gedurende deze periode de benodigde zorg en begeleiding bieden. Bij een kortdurende zorgsituatie gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. In de Jeugdwet (artikel 8.1.1 lid 2) worden drie voorwaarden beschreven waar personen aan moeten voldoen, willen zij aanspraak kunnen maken op een PGB. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, door hem niet passend wordt geacht; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) zijn. 6.2 Bekwaamheid van de aanvrager De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de aanvrager. Allereerst wordt van een inwoner verwacht dat deze zelfstandig een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag. In het vooronderzoek en het gesprek vraagt de gemeente de inwoner duidelijk te maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning de aanvrager gebaat zou zijn. Ten tweede wordt van de aanvrager verwacht dat deze de aan het PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het kiezen van een zorgverlener die in de zorg voldoet, het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. De budgethouder dient immers ook een zorgovereenkomst over te leggen met de SVB voordat de SVB tot betalingen over kan gaan naar de zorgverleners. Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de bekwaamheid moeten beschikken om zorg in te kopen. Bij jeugdigen tussen de 16 en18 jaar (met uitloop tot 23 jaar) kan het voorkomen dat de jeugdige zelf het contract aangaat. De bekwaamheid voor het hebben van een PGB wordt in gesprek met de aanvrager getoetst. Het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon (ook met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger) niet bekwaam is voor het houden van een PGB, dan kan de gemeente het PGB weigeren. Dat is een beslissing van de gemeente waarop een aanvrager vervolgens bezwaar kan maken. 6.3 Motivering door de aanvrager De tweede voorwaarde betreft de motivering door de aanvrager. De gemeente zal de jeugdige en/of de ouders een individuele voorziening aanbieden (zorg in natura). De cliënt moet bekijken of die individuele voorziening geschikt is. Bijvoorbeeld door te overleggen met de organisatie die de hulp of voorziening gaat leveren. Is die voorziening niet geschikt? Volgens de Jeugdwet (anders dan de Wmo) moet de cliënt motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is en hij daarom een PGB wenst. De cliënt schrijft op hoe hij/zij dit onderzocht heeft. En waarom het persoonsgebonden budget echt nodig is in zijn/haar situatie. Met deze argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. (Het geeft de gemeente wel de nodige informatie waarom mensen voor het PGB kiezen, of dit samenhangt met de gecontracteerde ondersteuning en of het nodig is op de kwaliteit, flexibiliteit of cliëntgerichtheid van de gecontracteerde ondersteuning bij te sturen.) Niet het oordeel van het college is leidend, maar het oordeel van de cliënt. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de cliënt. In deze gevallen kan de gemeente het PGB omwille van de motivering niet weigeren,mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen PGB af te geven bij de gemeente, dit geldt ook indien er onder de Jeugdwet sprake is van een niet-gemeentelijke verwijzer (bijvoorbeeld een huisarts). Als de gemeente weigert ondersteuning in de vorm van een PGB te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een aanvrager in bezwaar kan gaan. Enkele concrete voorbeelden (niet uitputtend) van argumenten die aanvragers redelijkerwijs in het kader van hun motivering kunnen aanvoeren om een PGB te willen ontvangen, zijn: de benodigde ondersteuning of jeugdhulp is niet goed vooraf in te plannen; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag worden geboden; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd; het is noodzakelijk om 24 uurs ondersteuning of jeugdhulp op afroep te organiseren; de ondersteuning of jeugdhulp moet, door de aard van de beperking, door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een persoon met autisme of hechtingsproblematiek; de ondersteuning of jeugdhulp waarvan men gebruik wil maken is aantoonbaar vernieuwend/innovatief en is niet als zorg in natura beschikbaar. Tot slot dienen gemeenten rekening te houden met de behoeften van personen op het gebied van godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond. Deze kunnen een reden vormen voor cliënten om te kiezen voor een PGB, omdat zij met het budget een aanbieder kunnen contracteren passend bij de eigen levensovertuiging. 6.4 Gewaarborgde kwaliteit van de dienstverlening De derde voorwaarde om in aanmerking te komen voor een PGB houdt in dat de kwaliteit van de middels het PGB te verwerven ondersteuning naar het oordeel van het college gewaarborgd moet zijn. Voor de ondersteuning en zorg die wordt ingekocht met het PGB gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor voorzieningen in natura. 8.4.1PGB-plan De gemeente toetst vooraf of de kwaliteit bij de PGB-houder voldoende is gegarandeerd. De aanvrager maakt dit inzichtelijk in het plan van aanpak. In het PGB plan moet in ieder geval zijn opgenomen: Beschrijven op welke wijze de kwaliteit is geborgd (kwalificatie zorgverlener m.n.); Hoe de veiligheid is geborgd; Hoe de gestelde doelen worden bereikt; Hoe en wanneer wordt geëvalueerd; Hoe de ondersteuning is afgestemd op de cliënt; Een VOG (Verklaring omtrent gedrag) van de zorgverlener. 6.5 Weigeren PGB We sluiten conform de bepalingen in de Jeugdwet de volgende zorg- en ondersteuningsvormen uit van een PGB: spoedzorg, w.o. crisisopvang, vanwege het spoedeisende karakter minderjarigen die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering hebben gekregen, of jeugdigen die zijn opgenomen in een gesloten accommodatie met een machtiging, komen niet in aanmerking voor een PGB. Een PGB wordt geweigerd wanneer: blijkt dat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet voldoet aan de aan het toekennen van een PGB verbonden voorwaarden; de cliënt het PGB niet gebruikt of voor een ander doel gebruikt. Bovenstaande weigeringsgronden komen voort uit de wet (artikel 8.1.4). Gelet op het voorgaande kan een PGB geweigerd worden als: de cliënt handelingsonbekwaam is; de cliënt als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie heeft; er sprake is van verslavingsproblematiek; er sprake is van schuldenproblematiek; er eerder misbruik is gemaakt van het PGB; er eerder sprake geweest is van fraude. Bovenstaande opsomming is niet uitputtend. Er kunnen zich andere situaties voordoen waarin het verstrekken van een PGB niet gewenst is. 6.6 Hoogte PGB De hoogte van het PGB: Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; Bedraagt voor formele ondersteuning ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate en compenserende maatwerkvoorziening in natura; Als het tarief van de door de cliënt gewenste aanbieder hoger is dan de kostprijs van de individuele voorziening in natura, blijft de hoogte van het PGB gelijk aan het tarief dat is bepaald voor de goedkoopst adequate en compenserende maatwerkvoorziening in natura9 (zie ook Mogelijkheid om op eigen kosten keuzes te maken (p. 32)); Bedraagt voor informele ondersteuning maximaal € 20,-- per uur. 9 Volgens de Jeugdwet mogen we een PGB weigeren voor dat deel van het budget dat hoger is dan zorg in natura voor een vergelijkbare hulpvraag. 6.7 Besteding PGB We kennen geen verantwoordingsvrij bedrag. PGB budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven wel doen: Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen, pensioenvoorziening en spaarloon. Vervoerskosten, maar alleen als er een beschikking is voor begeleiding in dagdelen (dagopvang), samen met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar die begeleiding geboden wordt. Maximaal 13 weken PGB in EU-landen Budgethouders kunnen maximaal 13 kalenderweken ondersteuning inkopen in het buitenland (binnen de EU). Wanneer een budgethouder langer dan een aaneengesloten periode van 6 weken naar het buitenland (binnen EU) gaat, dan moet hij vooraf toestemming vragen aan de gemeente om het PGB in het buitenland (binnen EU) te besteden of dit opnemen in het maatschappelijke ondersteuningsplan en budgetplan. PGB budgethouders mogen vanuit het budget in ieder geval de volgende uitgaven niet doen: Kosten voor bemiddeling. Kosten voor het voeren van een PGB-administratie. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het PGB. Contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het PGB, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal. Alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo en Jeugdwet vallen. Alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen. Ondersteuning inkopen buiten EU-landen. Controle op kwaliteit en financiën is dan nauwelijks mogelijk. 6.8 Trekkingsrecht Ouders van een jeugdige krijgen het PGB niet meer op hun eigen bankrekening gestort. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het budget en betaalt in opdracht van de ouders de zorgverleners. Dat is trekkingsrecht. Hiervoor moeten ouders een zorgovereenkomst met de zorgverleners sluiten. De gemeente (Wmo 2015 en/of Jeugdwet) of het zorgkantoor (Wet langdurige zorg) moet de zorgovereenkomst goedkeuren. Het trekkingsrecht maakt de verantwoording over de uitgaven makkelijker. De SVB neemt namelijk een groot deel van de financiële administratie van ouders over. 6.9 Verantwoording PGB De financieel administratieve afhandeling van het PGB gebeurt verplicht voor alle PGB-houders door de SVB. Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de budgethouders en gemeente. De verantwoording wordt voor budgethouders eenvoudiger, doordat de gemeente vooraf toetst,het geld alleen besteed kan worden aan wat is afgesproken (toets SVB bij betalen facturen) en gemeente steeds inzage heeft in de bestedingen. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, vragen wij de budgethouders zoals eerder verwoord om in de (tussen)evaluatie van het plan van aanpak ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. 6.10 Tarieven Bij de bepaling van het PGB tarief voor de Jeugd is er voor gekozen het PGB gelijk te stellen aan het laagste ZIN tarief. De reden hiervoor is dat wanneer het PGB besteed wordt er in het algemeen sprake is van lagere overheadkosten. Het gaat vaak om kleinere organisaties of zelfstandige professionals met minder overheadkosten dan ZIN aanbieders. Verder hoeft men bij een PGB niet aan de vereisten te voldoen die bij ZIN via contracten worden gevraagd en brengt het PGB-proces minder administratieve lasten met zich mee. De klant voert dan zelf coördinerende activiteiten uit. Om de hoogte van het PGB te bepalen wordt gebruik gemaakt van een tarievenlijst, welke als separate bijlage is bijgevoegd. 6.11 Professionele zorgverlening en informele zorg Als professionele hulpverlener wordt beschouwd iemand die: BIG-geregistreerd is; ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel; een ZZP’er is die een modelovereenkomst van de belastingdienst kan laten zien. Diegenen die niet aan deze voorwaarden kunnen voldoen, worden beschouwd als behorend tot de informele zorg. 6.12Afwegingskader informele hulp PGB Informele zorg is de zorg die door vrijwilligers en mantelzorgers wordt geleverd. Familielieden en/of mantelzorgers kunnen alleen vanuit een PGB worden betaald als er geen sprake is van 'gebruikelijke zorg'. Met gebruikelijke zorg wordt bedoeld dat het normaal/gebruikelijk is dat ouders, partners, inwonende kinderen en huisgenoten in bepaalde mate de zorg voor een gezinslid of huisgenoot op zich nemen. Voor mantelzorg die om een inzet van langer dan 3 maanden vraagt kan een PGB worden aangevraagd. Noodzaak en omvang worden bepaald op basis van onderstaand afwegingskader. Afwegingskader PGB voor informele hulp Om de noodzaak en omvang van de inzet van een PGB te kunnen bepalen worden de volgende belangen afgewogen: het belang van de ouders te voorzien in een inkomen; de belastbaarheid en draagkracht van de ouders; de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de behoefte en mogelijkheden van de sociale omgeving van de jeugdige en zijn ouders. Het voorgaande betekent niet dat belangen doorslaggevend zijn, wel dat hiermee bij de uiteindelijke beslissing of het advies gemotiveerd rekening is gehouden. Formele zorg Betaalde mantelzorg Onbetaalde mantelzorg Protocol gebruikelijke hulp De normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Oppas en opvang van gezonde kinderen is in principe geen jeugdhulp, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Bij de inzet en betaling van een informele hulp zal het volgende worden meegewogen: De informele hulp mag op geen enkele wijze druk op de PGB-houder hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling. De informele hulp is in staat om de gevraagde hulp te bieden? De informele hulp heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt. De kwaliteit van de geboden hulp is voldoende gewaarborgd: de informele hulp is bevoegd en bekwaam. Er is geen sprake van verlies aan inkomsten. Dit is het geval wanneer de informele hulp behoort tot de beroepsbevolking en door de geboden hulp minder kan deelnemen aan de arbeidsmarkt/het arbeidsproces. Van inwonende eerste- en tweede graads familieleden kan meer (onbetaalde) mantelzorg worden verwacht dan van uitwonende familieleden; De informele hulp tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan zorg in natura. De informele hulp een verklaring omtrent gedrag kan overleggen. De gebruikelijke hulp met meer dan acht uur per week en langer dan drie maanden wordt overschreden. De SVB meldt bij de Belastingdienst welke betalingen vanuit een PGB zijn gedaan aan een zorgverlener. Familieleden of mantelzorgers kunnen alleen uit een PGB betaald worden als er sprake is van een zogenoemde arbeidsrelatie. Er moet een (zorg)overeenkomst zijn waaruit o.a. blijkt dat belasting wordt betaald over de inkomsten. Voor de benodigde hulp die een mantelzorger niet wil of kan bieden kan een beroep worden gedaan op formele ondersteuning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel