1. Bij bijstandsverlening zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid van de
Participatiewet, verlangt het college extra zekerheid in de vorm van
een krediethypotheek of een pandrecht.
2. Verdere bezwaring/tegeldemaking van de woning dan de
krediethypotheek of het pandrecht van de eigen woning of woonwagen
wordt niet verlangd.
3. De regels zoals opgenomen in het per 1 januari 2004 vervallen Besluit
krediethypotheek bijstand zijn van toepassing op registergoederen als
ook op niet registergoederen.
4. Op het in het vorige lid gestelde bestaan de volgende uitzonderingen:
a. Het college verleent bijstand in de vorm van geldlening onder
verband van hypotheek of pand als de bewoonde eigen woning met
bijbehorend erf een waarde heeft die hoger is dan het bedrag zoals
genoemd in artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet.
b. Bijstand die in de vorm van een geldlening verstrekt is, komt niet
voor kwijtschelding in aanmerking en moet worden terugbetaald.
c. De waarde van de eigen woning is gelijk aan de (recentste)
WOZ-waarde.
d. De waarde van de woonwagen wordt vastgesteld door ene beëdigd
taxateur.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2