Naar hoofdinhoud
1. Verstrekking van een maatwerkvoorziening als pgb vindt plaats op gemotiveerd verzoek van de cliënt of diens vertegenwoordiger, door middel van indiening van een persoonlijk plan. 2. Een pgb voor een vervoersvoorziening of hulpmiddel wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de hulpmiddelen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 3. Uit het persoonlijk plan voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen of vervoer moet blijken: a. welke maatwerkvoorziening cliënt wil aanschaffen met het pgb; b. om welke redenen hij deze maatwerkvoorziening als passend beschouwd en c. waar hij de maatwerkvoorziening wil inkopen en hoe hij tot deze keuze is gekomen. 4. Het wederom verstrekken van een pgb voor een reeds eerdere verstrekte soortgelijke voorziening, kan niet eerder geschieden dan na vijf jaar indien het een autoaanpassing betreft; na het verstrijken van de duur van de economische afschrijvingstermijn indien het een andere voorziening (hulpmiddel) betreft.

Rechtspraak bij dit artikel