Herbeplanting op andere grond, zoals bedoeld in artikel 4.5, eerste en tweede lid, van de wet voldoet aan de volgende vereisten:
de grond is vrij van houtopstand en van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de wet;
het gebruik van de grond past binnen bestaand natuur- en landschapsbeleid van de provincie en de gemeenten binnen de provincie Utrecht;
de grond is vrij van compensatieverplichtingen;
er zijn geen wettelijke voorschriften die de herbeplanting in de weg staat;
de aan te brengen herbeplanting binnen drie jaar wordt gedaan nadat de verplichting tot herbeplanting ontstaat;
er is een beplantingsplan opgesteld en ingediend, en
de herbeplanting voldoet aan het bepaalde in artikel 4.2.1 van deze regeling.
Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting op andere grond, als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet kan bestaan uit een toeslag in oppervlakte die is afgeleid van de natuurkwaliteit, de hersteltijd van de gevelde houtopstand en de ruimtelijke samenhang.
Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 4.2.3 Vrijstelling herbeplantingsplicht
Van de verplichting tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet is vrijgesteld, het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurherstel, als bedoeld in artikel 4.1.2, aanhef en onder b, van deze regeling.
HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.2
Artikel 4.2.2