Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5:

Artikel 10

Aanwijzing van raadsleden voor de Drechtraad

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden

De zittingsperiode van de leden van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a, is gelijk aan die van de leden van de gemeenteraden. Aftredende leden van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a, blijven - onverminderd het bepaalde in het vijfde en achtste lid van dit artikel - als zodanig fungeren tot aan het moment dat hun opvolger is aangewezen. De raden wijzen in de eerste vergadering van de zittingsperiode van de nieuwe raden opnieuw de leden aan van de Drechtraad. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. De raden kunnen per lid van de Drechtraad één vaste plaatsvervanger aanwijzen. Het verlies van de hoedanigheid van raadslid doet het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van de Drechtraad van rechtswege ophouden. Indien tussentijds een zetel van een lid of plaatsvervangend lid van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a beschikbaar komt, wijst de raad van de betrokken gemeente in zijn eerstvolgende vergadering een nieuw lid of plaatsvervangend lid aan. Van elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van de Drechtraad geeft de raad van de gemeente die het aangaat onverwijld kennis aan de Drechtsteden. De leden van de Drechtraad kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van de Drechtraad, alsmede de raad die hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Het ontslag gaat onmiddellijk in en is onherroepelijk. Indien door splitsing of samenvoeging tijdens een periode de verdeling in fracties in een raad wijzigt, wordt door de betreffende raad het aantal leden van de Drechtraad daarmee in overeenstemming gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel