De leden van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b worden door de raden die het aangaat aangewezen op aanbeveling van de Drechtraad.
De Drechtraad doet zijn aanbeveling nadat hij zich heeft uitgesproken over de gewenste samenstelling van het Drechtstedenbestuur, overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede en derde lid.
Het verlies van de hoedanigheid van collegelid of lid van het Drechtstedenbestuur doet het lidmaatschap van de Drechtraad van rechtswege ophouden.
Indien tussentijds een vacature ontstaat onder de leden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b, zijn het eerste en tweede lid van dit artikel van toepassing.
De zittingsperiode van de leden van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b, is gelijk aan die van de collegeleden van de gemeenten.
Aftredende leden van de Drechtraad als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b, blijven - onverminderd het bepaalde in het derde lid van dit artikel - als zodanig fungeren tot aan het moment dat hun opvolger is aangewezen.
Hoofdstuk 5:
Artikel 11
Aanwijzing van collegeleden voor de Drechtraad
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden