Het Drechtstedenbestuur bestaat uit:
de voorzitter en
ten minste vier en ten hoogste negen leden, aangewezen door de Drechtraad, met dien verstande dat ten minste de helft van de leden aangewezen wordt uit de collegeleden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b en dat ten hoogste de helft van de leden aangewezen kan worden uit personen die geen lid zijn van de Drechtraad, gemeenteraden of colleges.
De Drechtraad benoemt in zijn eerste vergadering na de aanwijzing van de leden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a, een formateur voor het Drechtstedenbestuur. Deze adviseert, na overleg met de colleges, de Drechtraad zo snel mogelijk over de aanwijzing van de leden van het Drechtstedenbestuur, waarover de Drechtraad zich terstond uitspreekt, waarna de Drechtraad de aanbeveling doet als bedoeld in artikel 11, eerste lid. De formateur neemt bij zijn advies de door de Drechtraad vastgestelde functieomschrijvingen en vereiste kwalificaties in acht.
De Drechtraad kan opdrachtportefeuillehouders benoemen. Een opdrachtportefeuillehouder is geen lid van het Drechtstedenbestuur maar functioneert onder de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid van een lid van het Drechtstedenbestuur. De Drechtraad kan een opdrachtportefeuillehouder uitnodigen om in de Drechtraad een toelichting te geven en vragen te beantwoorden betreffende zijn opdracht.
De aanwijzing van de leden van het Drechtstedenbestuur vindt plaats nadat de raden die het aangaat de in artikel 9, tweede lid onder b bedoelde leden van de Drechtraad hebben aangewezen.
Met betrekking tot de leden van het Drechtstedenbestuur zijn de artikelen 40, 41, 46 en 47 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
De leden van het Drechtstedenbestuur treden als lid van het bestuur af in de eerste vergadering van de Drechtraad waarin de leden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b optreden. Zij zijn direct weer herkiesbaar.
Aftredende leden van het Drechtstedenbestuur blijven - onverminderd het bepaalde in het zevende lid van dit artikel - als zodanig fungeren tot aan het moment dat hun opvolger is aangewezen.
Degene die tussentijds ophoudt lid van de Drechtraad te zijn, houdt tevens op lid van het Drechtstedenbestuur te zijn.
Indien tussentijds een plaats in het Drechtstedenbestuur beschikbaar komt, wijst de Drechtraad zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Bij de keuze voor het nieuwe lid worden de in het tweede lid bedoelde functieomschrijvingen en vereiste kwalificaties in acht genomen.
Hij die als lid van het Drechtstedenbestuur ontslag neemt blijft zijn functie waarnemen, totdat de opvolger zijn functie heeft aanvaard.
Een lid van het Drechtstedenbestuur kan, in geval van langdurige afwezigheid, worden vervangen door een ander lid van het Drechtstedenbestuur of door een door de Drechtraad uit zijn midden aan te wijzen lid, niet zijnde een lid van een gemeenteraad. Deze tijdelijke vervanging kan ook plaats hebben indien een lid van het Drechtstedenbestuur het voorzitterschap waarneemt.
De samenstelling van het voltallige Drechtstedenbestuur wordt twee jaar na de vorming van het Drechtstedenbestuur na de verkiezingen, door de Drechtraad geëvalueerd. De Regiogriffier draagt zorg voor de evaluatie.