Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7:

Artikel 20

Benoeming en positie

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden

De voorzitter van de Drechtraad en van het Drechtstedenbestuur wordt aangewezen door de Drechtraad uit de collegeleden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder b. Artikel 17, vierde, zesde, zevende en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing. De voorzitter heeft het recht bij de vergaderingen van de Drechtraad en het Drechtstedenbestuur deel te nemen aan de beraadslagingen. De plaatsvervangend voorzitter van de Drechtraad wordt door de Drechtraad uit de leden als bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a aangewezen. De plaatsvervangend voorzitter van het Drechtstedenbestuur wordt door het Drechtstedenbestuur uit zijn midden aangewezen. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden zij vervangen door een lid, door en uit de Drechtraad respectievelijk het Drechtstedenbestuur aan te wijzen. Tot het moment waarop de voorzitter is aangewezen op de wijze als bedoeld in het eerste lid, worden de vergaderingen van de Drechtraad voorgezeten door de burgemeester van Dordrecht en vindt de waarneming plaats door het langstzittende lid van de raden van de gemeenten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel