Lid 1
Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt de aanspraak op vakantie:
158,4 uren per jaar voor ambtenaren met een salaris lager dan het maximum van schaal 9;
165,6 uren per jaar voor de overige ambtenaren;
Lid 2
Voor de toepassing van dit artikel geldt als salaris hetgeen daaronder wordt verstaan in de bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1 en als schaal, de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, opgenomen in de bijlage van die regeling.
Lid 3
Als maatstaf voor de berekening van het aantal vakantiedagen, waarop de ambtenaar recht heeft, geldt het salaris, dat hij geniet op 1 januari of in geval van indiensttreding op een latere datum, op het tijdstip van indiensttreding.