Lid 1
Voor de ambtenaar die, in dienst getreden vóór het bereiken van de leeftijd van 20 jaar, een diensttijd bij de overheid heeft van tenminste 15, 25 of 35 jaar dan wel in dienst is getreden na het bereiken van de leeftijd van 20 jaar, de leeftijd van tenminste 35, 45 of 55 jaar heeft bereikt, wordt de op grond van artikel 6:2:1 geldende aanspraak op vakantie verhoogd met onderscheidenlijk 14,4, 28,8 en 43,2 vakantie-uren.
Lid 2
De verhoging van het aantal vakantie-uren zoals bedoeld in het eerste lid gaat in op 1 januari van het jaar waarin de diensttijd of leeftijd wordt bereikt.
Lid 3
Voor de ambtenaar, die op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar 18 jaar of jonger, 19 of 20 jaar is, wordt de op grond van artikel 6:1:1:1 geldende aanspraak op vakantie verhoogd met onderscheidenlijk 21,6, 14,4 of 7,2 vakantie-uren.
Lid 4
Voor de nieuw in dienst tredende ambtenaar, die voorafgaand aan zijn indiensttreding niet werkzaam was bij de sector gemeenten, wordt de in lid 1 van dit artikel genoemde verhoogde aanspraak verminderd met 14,4 uren.
Lid 5
Het recht op vermeerdering van de vakantie zoals bedoeld in dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruik maakt van de FPU-gemeenten zoals omschreven in hoofdstuk 5a.