1. Het college wijkt af van de in de wet of deze verordening genoemde maatregelen als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
b. er sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
c. het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
2. Indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging.
3. Indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid in de zin van het eerste lid, wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op de helft van de standaardmaatregel.
4. Indien dringende redenen daartoe noodzaken, stemt het college, gelet op bijzondere omstandigheden, een op te leggen maatregel of opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven.
Hoofdstuk 1
Artikel 2