Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1.2

WMO Maatwerkvoorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels PGB Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet Enschede 2017

1.2.1.Voorwaarden om een PGB toegekend te kunnen krijgen In de Wmo 2015 voor de maatwerkvoorzieningen worden drie voorwaarden beschreven waar personen aan moeten voldoen, willen zij aanspraak kunnen maken op een PGB. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: de aanvrager dan wel zijn (wettelijk) vertegenwoordiger naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen; de aanvrager of diens (wettelijk) vertegenwoordiger geeft deze motivatie op grond van zijn eigen situatie door deze te koppelen aan het resultaat wat hij wil bereiken in de ondersteuning. Volgens aanvrager zou dit dan niet kunnen worden bereikt met een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura. 1.2.2. Bekwaamheid van de aanvrager De eerste voorwaarde betreft de “bekwaamheid” van de aanvrager. Van de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger wordt verwacht dat deze zelfstandig, een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van zijn aanvraag. Een aanvrager of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet duidelijk kunnen maken welke problemen deze heeft hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning deze gebaat is. Om na te gaan of de aanvrager of diens vertegenwoordiger op verantwoorde wijze met het PGB om kan gaan wordt de bekwaamheid van de budgethouder beoordeeld. De beoordelingscriteria zijn: is de aanvrager – al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of diens (wettelijke) vertegenwoordiger – in staat de eigen/(gezins-) situatie (bij ouder: de situatie van het kind) te overzien, zelf de zorg te kiezen, te regelen en aan te sturen; is de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een PGB; is de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger in staat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals het zoeken van een zorgaanbieder, het voeren van sollicitatiegesprekken, het (laten)opstellen van de correcte zorgovereenkomsten gelijk aan het model van de SVB, dan wel het accorderen van facturen en het bewaken van de kwaliteit en voortgang van de zorg. De bekwaamheid voor het hebben van een PGB wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger niet bekwaam is voor het houden van een PGB, dan kan de gemeente het PGB weigeren. 1.2.3.Gemotiveerde keuze PGB De keuze voor PGB kan blijken uit de wijze waarop aanvrager zijn verzoek om PGB motiveert. Het gaat om de keuze van aanvrager en niet van de in te huren ondersteuner of aanbieder. Wel kan iemand uit het eigen sociale netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag. Beiden mogen zich niet laten betalen als belangenbehartiger vanuit het PGB. Niet het oordeel van het college is leidend, maar het oordeel van de aanvrager. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de aanvrager. In deze gevallen kan de gemeente het PGB omwille van enkel de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Het afgeven van een PGB blijft uiteindelijk het besluit van het college. Enkele concrete voorbeelden (niet uitputtend) van argumenten die aanvragers redelijkerwijs in het kader van hun motivering kunnen aanvoeren om een PGB te willen ontvangen, zijn: de benodigde ondersteuning of jeugdhulp is niet goed vooraf in te plannen; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag worden geboden; de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd; als het noodzakelijk is om 24-uurs ondersteuning of jeugdhulp op afroep te organiseren; als de ondersteuning of jeugdhulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een persoon met autisme of hechtingsproblematiek; tot slot dienen gemeenten rekening te houden met de behoeften van personen op het gebied van godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond. Deze kunnen een reden vormen voor aanvragers om te kiezen voor een PGB, omdat zij met het budget een aanbieder kunnen contracteren passend bij de eigen levensovertuiging. 1.2.4.Kwaliteitseisen De derde voorwaarde om in aanmerking te komen voor een PGB houdt in dat de kwaliteit van de middels het PGB te verwerven ondersteuning naar het oordeel van het college gewaarborgd moet zijn. Voor de ondersteuning en zorg die wordt ingekocht met het PGB gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor voorzieningen in natura. In het geval van de Wmo heeft de budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert. Daarmee krijgt hij ook de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan de aanvrager deze zo nodig bijsturen. De kwaliteitseisen die gelden voor de ingekochte ondersteuning in natura kunnen niet 1 op 1 worden toegepast op het PGB. Het college beoordeelt aan de hand van het ingevulde budgetplan of de kwaliteit voldoende is gegarandeerd. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Als in het ondersteuningsplan, ondersteuning in de vorm van een PGB wordt aangevraagd , aanvrager een aanvraagformulier en format -budgetplan ontvangt. Zodra aanvrager de aanvraag en het budgetplan heeft ingezonden, wordt mede op grond hiervan besloten of aanvrager een PGB ontvangt. De maximale termijn van indiening budgetplan voor aanvrager is 15 werkdagen. In het ondersteuningsplan spreken aanvrager /budgethouder en gemeente af binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het budgetplan is aangegeven. 1.2.5.Weigering PGB Het college kan een PGB weigeren als er reeds tijdens het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag een ernstig vermoeden is dat de aanvrager problemen zal (gaan) krijgen met het beheren van een PGB. Te denken valt hierbij aan de volgende situaties: eerdere fraudering; gok-, drugs- of alcoholverslaving; Schulden; eerdere faillissement; surseance van betaling; WSNP. Bovendien kan er een PGB beëindigd worden in de volgende onderstaande gevallen als: blijkt dat de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de aanvrager niet voldoet aan de aan het toekennen van een PGB verbonden voorwaarden; de aanvrager het PGB niet gebruikt of voor een ander doel gebruikt; die per kalenderjaar langer dan 6 weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan 6 weken verblijf houdt buiten Nederland; (zijnde geen EU land) Verder wordt PGB geweigerd in de volgende gevallen: Indien de aanvrager een voorstel doet dat zou leiden tot een hoger PGB dan het vergelijkbare zorg in natura aanbod, en de aanvrager weigert het verschil in budget zelf te financieren (we bieden wel de aanvrager de mogelijkheid het verschil in budget zelf te financieren.) Dubbelrol van professionele hulpverlener en bewindvoerder. Indien de professionele hulpverlener tevens de rol als bewindvoerder of wettelijk vertegenwoordiger aanneemt, is dit in strijd met boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Met name als de professionele zorgverlener geregistreerd is als bewindvoerder (voert voor meer dan 3 personen bewind) . Er kan dan sprake zijn van belang dat tegengesteld is aan het belang van de cliënt/budgethouder. Het veronderstelde tegengestelde belang is niet limitatief en dient per situatie te worden beoordeeld.

Rechtspraak bij dit artikel