1.3.1.Voorwaarden om een PGB toegekend te kunnen krijgen
In de Jeugdwet worden drie voorwaarden beschreven waar personen aan moeten voldoen, willen zij aanspraak kunnen maken op een PGB. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:
de aanvrager dan wel zijn (wettelijk) vertegenwoordiger naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
Als in het budgetplan aanvrager zich op het standpunt stelt dat:
de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura, door hem niet passend wordt geacht (Jeugdwet) en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de in te zetten voorziening behoren en die de aanvrager van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) zijn en bijdragen aan het beoogde resultaat.
1.3.2.Bekwaamheid van de aanvrager
De eerste voorwaarde betreft de “bekwaamheid” van de aanvrager. Van de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger wordt verwacht dat deze zelfstandig, een redelijke waardering kan maken van zijn belangen ten aanzien van zijn aanvraag. Een aanvrager of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet duidelijk kunnen maken welke problemen deze heeft hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning deze gebaat is. Om na te gaan of de aanvrager of diens vertegenwoordiger op verantwoorde wijze met het PGB om kan gaan wordt de bekwaamheid van de budgethouder beoordeeld. Er dient een probleemanalyse en een ondersteuningsplan/budgetplan te worden opgesteld samen met de wijkcoach.
De beoordelingscriteria zijn:
is de aanvrager – al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of diens (wettelijke) vertegenwoordiger – in staat de eigen/(gezins-) situatie (bij ouder: de situatie van het kind) te overzien, zelf de zorg te kiezen, te regelen en aan te sturen;
is de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een PGB;
is de aanvrager of diens (wettelijke) vertegenwoordiger in staat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals het zoeken van een zorgaanbieder, het voeren van sollicitatiegesprekken, het (laten) opstellen van de correcte zorgovereenkomsten gelijk aan het model van de SVB, dan wel het accorderen van facturen en het bewaken van de kwaliteit en voortgang van de zorg.
De bekwaamheid voor het hebben van een PGB wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn (wettelijk) vertegenwoordiger niet bekwaam is voor het houden van een PGB, dan kan de gemeente het PGB weigeren.
Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders of diens wettelijk vertegenwoordiger die over de bekwaamheid moeten beschikken om zorg in te kopen. Bij jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar (met uitloop tot 23 jaar) kan het echter voorkomen dat de jeugdige zelf het contract aangaat.
1.3.3.Gemotiveerde keuze PGB
Jeugdwet.
Volgens de Jeugdwet dient de aanvrager te motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is en hij daarom een PGB wenst. Hierbij gaat het om de argumenten van een persoon (de jeugdige of zijn (wettelijk) vertegenwoordiger) om aan te geven dat de voorziening in natura die door de gemeente is voorgesteld niet passend is, waardoor de aanvrager gebruik wenst te maken van een PGB.
Met deze argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer de aanvrager de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren.
Niet het oordeel van het college is leidend, maar het oordeel van de aanvrager. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de aanvrager. In deze gevallen kan de gemeente het PGB omwille van enkel de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Het afgeven van een PGB blijft uiteindelijk het besluit van de gemeente, dit geldt ook indien er onder de Jeugdwet sprake is van een niet-gemeentelijke verwijzer.
Enkele concrete voorbeelden (niet uitputtend) van argumenten die aanvragers redelijkerwijs in het kader van hun motivering kunnen aanvoeren om een PGB te willen ontvangen, zijn:
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp is niet goed vooraf in te plannen;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag worden geboden;
de benodigde ondersteuning of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd;
als het noodzakelijk is om 24-uurs ondersteuning of jeugdhulp op afroep te organiseren;
als de ondersteuning of jeugdhulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een persoon met autisme of hechtingsproblematiek;
tot slot dienen gemeenten rekening te houden met de behoeften van personen op het gebied van godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond. Deze kunnen een reden vormen voor aanvragers om te kiezen voor een PGB, omdat zij met het budget een aanbieder kunnen contracteren passend bij de eigen levensovertuiging.
1.3.4.Kwaliteitseisen
Jeugdwet.
De derde voorwaarde om in aanmerking te komen voor een PGB houdt in dat de kwaliteit van de middels het PGB te verwerven ondersteuning naar het oordeel van het college gewaarborgd moet zijn. Voor de ondersteuning en zorg die wordt ingekocht met het PGB gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor voorzieningen in natura.
Er geldt een zelfstandig kwaliteitsregime voor alle aanbieders van jeugdhulp. De reden hiervoor is dat het begrip jeugdhulp het brede spectrum omvat van lichtere vormen van jeugdhulp tot aan zware vormen van geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp die ingezet wordt in het kader van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. In hoofdstuk 4 van de Jeugdwet staan de kwaliteitseisen beschreven die worden gesteld aan jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Dit zijn de volgende:
de norm van verantwoorde hulp, inclusief de verplichting om geregistreerde professionals in te zetten;
gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde hulp;
systematische kwaliteitsbewaking door de jeugdhulpaanbieder;
verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering;
de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;
de meldplicht calamiteiten en geweld;
verplichting om de vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat jeugdhulp beter, efficiënter en effectiever op lokaal niveau geregeld kan worden. Daarmee worden gemeenten ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering.
Bij de financiering van de jeugdhulp kunnen gemeenten middels het contract kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Verder kunnen gemeenten gebruik maken van keurmerken, klachtenregistratie en onderzoeken naar klanttevredenheid. De wetgever acht een aantal kwaliteitseisen zo fundamenteel dat deze in de Jeugdwet uniform zijn vastgelegd.
Om duidelijkheid te creëren voor aanvragers en wijkcoaches kan voor de Jeugdwet vooraf een lijst worden opgesteld van aspecten die een rol spelen bij de beoordeling. Hierbij wordt onder meer gedacht aan:
het type hulp dat wordt geleverd (boodschappen doen versus het huis schoonhouden);
de frequentie van de hulp (1 keer per maand versus 4 keer per week);
er sprake is van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode;
de mate van verplichting;
Laatstgenoemde aspecten bij bovengenoemde punten worden als zwaarwegend gezien.
1.3.5 Weigeren PGB
Jeugdwet
Volgens de Jeugdwet mogen we een PGB alleen weigeren voor dat deel dat het budget hoger is dan zorg in natura voor een vergelijkbare hulpvraag.
Wel sluiten conform de bepalingen in de Jeugdwet de volgende zorg- en ondersteuningsvormen uit van een PGB, op moment van schrijven:
spoedzorg -> vanwege het spoedeisende karakter (net als bij terminale zorg)
Hoofdstuk
Artikel 1.3
Jeugdwet
Onderdeel van Beleidsregels PGB Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet Enschede 2017