Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1

Artikel 4.1.3

Geur

Onderdeel van Milieuplan provincie Groningen 2017-2020

Uit de Omgevingsvisie 'Wij willen voor de hele provincie 30% minder geurklachten. Wij willen ernstige geurhinder oplossen en nieuwe hinder voorkomen door: ons geurbeleid, vastgelegd in dit Milieuplan, toe te passen bij bedrijven waarvoor wij het bevoegd gezag zijn; hierbij een duidelijk normenkader te hanteren op geurgevoelige objecten, waarbij we onderscheid maken in verschillende situaties (bijvoorbeeld qua gebiedstypering (stedelijk gebied versus buitengebied) en regionale differentiatie (Eemsmond-Delfzijl versus de rest van de provincie). Het normenkader is uitgewerkt in dit Milieuplan en de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. Bij de toepassing van ons geurbeleid wordt met name gebruik gemaakt van het VTH-instrumentarium, waarvoor wij tevens beleid hanteren, vastgelegd in het Milieuplan. Daarnaast streven we in het stedelijk gebied naar een goede gezondheidskwaliteit voor geur, uitgedrukt in een GES-waarde van GES-1. Voor het landelijk gebied streven we naar een gezondheidskwaliteit op het niveau van GES-31 Volgens de dosis-effect relatie die de GES-methodiek voor geur hanteert, komt GES-1 overeen met maximaal 5% gehinderden en GES-3 met maximaal 12 % gehinderden We gaan na of een gebiedsgerichte benadering wenselijk is en zo ja, dan ontwikkelen we samen met onze regionale partners gebiedsgericht beleid waarbij maatwerk op gebiedsniveau mogelijk is. Zo hebben we voor het structuurvisiegebied Eemsmond-Delfzijl een gebiedsgerichte geurnorm vastgelegd. We willen daar uiterlijk in 2035 een cumulatieve geursituatie hebben die voldoet aan het niveau van GES3+60%2GES-3 + 60% betekent dat we uitgaan van een concentratie die 1,6 keer hoger is dan de maximale concentratie die hoort bij de bandbreedte van GES-3.. Wij willen ernstige geurhinder oplossen en nieuwe hinder voorkomen door streng en duidelijk geurhinderbeleid te hanteren. Dit hebben wij vastgelegd in dit Milieuplan en passen wij toe bij industriële bedrijven waarvoor wij het bevoegd gezag zijn. Hierbij is het uitgangspunt dat bedrijven zodanige maatregelen treffen, dat er buiten de inrichting zo min mogelijk geur waarneembaar is en dat zij voorkomen dat geurhinder optreedt bij woningen en andere geurgevoelige objecten, voor zover deze niet op bedrijfsterreinen liggen of eigen bedrijfswoningen zijn. Als geurhinder niet geheel is uit te sluiten hanteren we een duidelijk normenkader waarbij we onderscheid maken in de genoemde situaties. Daar waar nu in dit Milieuplan en in bijlage 3 ‘geurhinderbeleid industriële geurbronnen’ wordt gesproken over geurnormen zijn dit normen die we toepassen op bedrijven waarvoor we als provincie het bevoegde gezag zijn. We houden rekening met de cumulatieve geurbelasting door industriële activiteiten in een gebied. Als de na te streven gezondheidskwaliteit voor industriële geur niet mogelijk of wenselijk is, ontwikkelen we samen met onze regionale partners gebiedsgericht beleid ten aanzien van geur door middel van maatwerk op gebiedsniveau. Dit hebben we al gedaan voor het structuurvisiegebied Eemsmond - Delfzijl. Met onze partners in Eemsmond en Delfzijl hebben we geurhinder onderzocht in dit gebied, rekening houdend met de 15 ontwikkelingen, zoals die nu bekend zijn. Daarbij hebben we niet alleen gekeken naar de bedrijven die onder ons bevoegde gezag vallen maar zijn alle bedrijven (voor zover geurrelevant) hierin meegenomen. Voor deze specifieke gebiedsgerichte benadering willen we maatwerk leveren voor milieu op gebiedsniveau overeenkomstig de ruimte die de Omgevingsvisie geeft. Met het voorbereiden van de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is uit dit onderzoek gebleken dat in de huidige situatie in het gebied van Oosterhorn cumulatie optreedt. Voor het industriegebied Eemshaven voldoet de referentiesituatie aan GES 1. Voor Oosterhorn willen we terug naar een cumulatieve waarde van GES 3 + 60% 2 GES-3 + 60%  betekent dat we uitgaan van een concentratie die 1,6 keer hoger is dan de maximale concentratie die hoort bij de bandbreedte van GES-3. waarbij rekening wordt gehouden met: ESD en de saneringsopgave, de overige geur-uitstotende bedrijven, het verdwijnen van North Refinery en de aanpassing van de vergunning van de RWZI Delfzijl. De individuele norm voor bedrijven in de Eemsdelta is 0,25 ouE/m3 op geurgevoelige bestemmingen. De sterkte van de uitstoot is dan zo klein dat er geen toename van de geurbelasting is en dus geen sprake is van cumulatie. In bijlage 3 ‘geurhinderbeleid industriële geurbronnen’ is dit nader uitgewerkt. Geurhinder (en hinder in het algemeen) is een psychofysiologisch verschijnsel met gevolgen voor de gezondheid. Als mensen geuroverlast ondervinden leidt dit naast hinder, ook tot aangepast gedrag zoals ramen dicht houden, niet meer buiten zitten. Ook stress-gerelateerde effecten zoals hoofdpijn en verhoogde bloeddruk komen voor. Er is bij geur zelden sprake van giftige (toxische) effecten omdat de meeste stoffen al bij hele lage concentraties te ruiken zijn. De hinder wordt in sterke mate bepaald door de (on)mogelijkheden van invloed, serieus genomen en gehoord worden, snel en zinvol contact kunnen hebben met de veroorzaker. Het nationale geurbeleid is sinds 1995 onveranderd. Het doel is het voorkomen van nieuwe geurhinder, bestaande geurhinder terugdringen en de ernstige hinder geheel uit te bannen. De provincie onderschrijft dit beleid helemaal. De instrumenten (wet- en regelgeving) van de provincie verschillen per doelgroep. Voor de landbouwsector zijn normen voor geur vastgelegd in de Wet geurhinder veehouderijen. Voor de industrie geldt dat provincies (en gemeenten) per situatie het aanvaardbare hinderniveau zelf moeten vaststellen. De provincie doet dit veelal bij de omgevingsvergunning voor grote bedrijven. Om de geurhinder door bedrijven te beheersen is veel geregeld via Europese regels voor toepassing van de beste beschikbare techniek (BREF’s) en via het Activiteitenbesluit. Nieuwe hinder voorkom je door het voldoende scheiden van bronnen en inwoners. Ruimtelijke ordening is hier geschikter voor dan de omgevingsvergunning. Geur verdient aandacht in gebiedsvisies en bestemmingsplannen en later in de omgevingsplannen. Gemeenten zijn hier in de eerste plaats aan zet. Bij ruimtelijke ordeningsvraagstukken wordt standaard de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering geraadpleegd. Voor andere relevante bronnen van geurhinder zoals riolering en houtkachels bestaat geen geurregelgeving. Hiervoor geldt alleen de algemene regel van overlast. Hiervoor is de provincie niet het bevoegde gezag. De afgelopen jaren zijn de geurklachten teruggelopen van 450 naar 150 geurklachten die bij de provincie zijn binnen gekomen. Deze klachten hebben betrekking op bedrijven waar de provincie het bevoegde gezag voor is. Een van de redenen van deze terugloop is onder andere dat een deel van de bedrijven zijn gewijzigd van het bevoegde gezag (van de provincie naar de gemeente). De geurhinder in de provincie kenmerkt zich door enkele opvallende knelpuntlocaties waar de overlast hardnekkig is waarbij Farmsum eruit springt. In de aangrenzende woongebieden van Delfzijl, Appingedam en Borgsweer wordt maar liefst viermaal zoveel geuroverlast ondervonden als gemiddeld in Groningen. In deze gemeenten ondervindt minimaal 15% van de burgers enige tot ernstige geurhinder. De provincie heeft eigen beleidsruimte voor de vergunningverlening. Om die beleidsruimte zorgvuldig te gebruiken, is eigen geurbeleid beter dan besluiten op basis van alleen de landelijke richtlijnen uit het activiteitenbesluit, zo leert de praktijk. Daarom heeft de provincie een eigen werkwijze ontwikkeld en het provinciaal geurhinderbeleid industriële geurbronnen voor vergunningverlening geformuleerd. Met het VTH-beleidskader is het geurhinderbeleid industriële geurbronnen vastgesteld. Dit beleid is sinds medio 2013 vastgesteld en later een aantal keren aangepast en in werking. Het geurhinderbeleid industriële geurbronnen is geactualiseerd en maakt deel uit van dit Milieuplan (zie bijlage 3). Dit geurhinderbeleid industriële geurbronnen bevat specifieke beleidsregels voor de Eemsdelta overeenkomstig de gebiedsafbakening ingevolge de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. In ons geurbeleid staat dat we bescherming op maat bieden. We onderscheiden enerzijds de mate van hinderlijkheid van de geur en anderzijds de gewenste bescherming. Die bescherming is afhankelijk van het object (geurgevoelig of niet, wel of geen eigen bedrijfswoning) en de omgeving (bebouwde kom, bedrijventerrein of buitengebied). Verder hebben we de provinciale milieuklachtentelefoon om geuroverlast te melden. Daarmee stellen we prioriteiten in ons werk om gericht de geurhinder in de provincie terug te dringen. We gaan in gesprek met de Groninger gemeenten om ons geurbeleid ook met hen af te stemmen waarbij we streven naar eenduidigheid, rechtsgelijkheid en minimale overlast voor respectievelijk alle bedrijven en burgers in de provincie.

Rechtspraak bij dit artikel