Uit de Omgevingsvisie over nazorg en opslag van afval:
'Voor een aantal gesloten stortplaatsen voor afval en baggerspecie, dragen wij op grond van de Wet milieubeheer blijvend de verantwoordelijkheid voor de nazorg, waarmee we bodemverontreiniging voorkomen.Wij waarborgen dat de stortplaatsen, waar op of na 1 september 1996 nog afval of baggerspecie is gestort, na sluiting geen nadelige gevolgen opleveren voor het milieu. Wij nemen niet het eigendom over, alleen het beheer. Als het bevoegde gezag zien wij toe op correct beheer en monitoring. Voor ontwikkelingen rond de stortplaats heeft de eigenaar van een (gesloten) stortplaats een primaire rol.Wij hebben regels voor handelingen in, op, onder of over gesloten stortplaatsen opgenomen in deOmgevingsverordening (titel 5.2).
Radioactief afval
Wij verlenen geen medewerking aan de opslag of berging van radioactief afval in de diepe ondergrond. De onbekendheid met de gevolgen hiervan en de potentiële risico’s van onder meer straling, verdragen zich niet met een duurzame ontwikkeling en met het belang van de bescherming van het (ondergrondse) milieu. Wij voeren (bestuurlijk) overleg om te voorkomen dat de ondergrond in beeld komt voor deze activiteiten. Tegen het verlenen van vergunningen voor opslag of berging van radioactief afval zullen wij ons met alle beschikbare wettelijke middelen verzetten.
Overig afval
Wij verlenen op geen enkele wijze medewerking aan de opslag of berging van gevaarlijk afval in de diepe ondergrond. Voor niet-gevaarlijk afval geldt dat wij alleen meewerken aan de opslag of berging als het een nuttige toepassing betreft.Berging van afval vinden wij niet gewenst, met uitzondering van de injectie van uit de mijnbouw afkomstige stoffen.'
Wat willen we bereiken met afval?
We streven naar minder afval.
Afvalpreventie is daarbij een belangrijk middel.
We streven naar financiële zekerheid bij afvalbedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn en onderzoeken daarvoor de maatregelen.
Op het gebied van afval volgen we het landelijk beleid zoals verwoord in het Landelijk Afvalbeheer Plan 2 (LAP2) en het toekomstige LAP3. De toekomstige doelstelling zal in ieder geval zijn dat afval meer gezien wordt als een grondstof.
De vertaling van doelen betekent dat we willen bijdragen aan:
afvalpreventie in eigen bedrijfsvoering en bij bedrijven, waarvoor wij het bevoegde gezag zijn, via vergunningverlening, toezicht en handhaving;
nuttig hergebruik, waaronder energieterugwinning en materiaalinnovatie (circulair);
veilige en schone eindverwerking, waaronder het voorkomen van bodemverontreiniging door stortplaatsen door middel van nazorg stortplaatsen.
circulaire economie waarvoor vanuit de provinciale opgaven een strategie wordt opgezet.
Overal in onze economie komt afval vrij: materiaal dat niet meer nuttig is of geen waarde heeft en waar 'eigenaren' vanaf willen. Dat kan gaan om huishoudelijk en kantoorafval (wit- en bruingoed, papier, glas, etensresten, plastic) maar ook om bouw- en sloopafval, restanten uit de industrie en landbouw en grote hoeveelheden baggerslib en afvalwater. De hoeveelheid afval groeide in het verleden explosief, belandde op stortplaatsen of werd illegaal gedumpt. De problemen die hieruit voortvloeiden waren onder andere geurhinder, bodemverontreiniging, broeikasgasemissies en aantasting van landschappen.
Sinds de jaren '70 is beleid ontwikkeld om deze problemen aan te pakken en te voorkomen. Door preventie, hergebruik en nuttige toepassing van afval, samen met forse kosten en strenge criteria voor storten, is de afvalstroom vérgaand onder controle gekomen.
Het afvalbeleid is landelijk beleid. Begin 2009 is het nieuwe Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP2) vastgesteld. Hierin is een groot aantal kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen opgenomen. Naast diverse doelstellingen rond de omvang van de afvalproductie en de verwerking ervan, omvat het LAP2 doelen en bijbehorende acties om de milieudruk van het afvalbeheer te beperken. Voor zeven belangrijkste afvalstromen (papier, textiel, PVC, grof huishoudelijk afval, bouw- en sloopafval, aluminium en voedsel) is bijvoorbeeld een richtinggevende doelstelling geformuleerd: het verminderen van de milieustromen met minimaal 20%.
We voeren het landelijk afvalstoffenbeleid uit samen met andere provincies en de andere overheden. Ook dient het LAP op grond van de Wabo als toetsingskader voor onze vergunningverlening. Ten slotte bevat het LAP2 de capaciteitsplanning voor verbranden en storten van afval. Die planning geeft de maximale ruimte in ons land aan voor het storten en verbranden van afvalstoffen.
Het LAP richt zich op:
het beperken van het ontstaan van afval;
het beperken van de milieudruk door ‘afvalbeheer’ en
het vanuit ketengericht afvalbeleid beperken van de milieudruk van productketens.
De hoeveelheid geproduceerd afval in Nederland is de laatste jaren stabiel. Bij de afvalverwerking groeit sinds decennia het aandeel van afval dat nuttig wordt toegepast en verbrand. Steeds minder afval wordt gestort. Mede door ons vestigingsklimaat is in de provincie Groningen de totale capaciteit van afvalverwerkingsbedrijven fors toegenomen. De afvalbranche kent milieuhygiënische risico's, maar ook risico's ten gevolge van schommelingen van prijzen 'aan de poort' en in de verwerkingskosten. Met het vervallen van het Besluit financiële zekerheid voor de betreffende bedrijven kan door de provincie niet langer zekerheidsstelling worden geëist in geval van een bedrijfsfaillissement. De kosten van verwijdering en verwerking van achterblijvend afval blijven in een dergelijk geval voor de overheid. Hieraan willen we aandacht besteden met een reeks van maatregelen. Zo denken we onder andere aan een onderzoek naar de mogelijkheden van het instellen van een derdegeldrekening waarmee de ver- en bewerking van afval wordt betaald en we kunnen voorkomen dat grote hoeveelheden afvalstoffen na de ontvangst van het afgiftetarief alleen maar blijven liggen in opslag en bij faillissement de verwerkingskosten voor de provincie zijn. In hoofdstuk 6 besteden we hier meer aandacht aan.
In ons collegeakkoord streven we naar circulaire economie. Dat houdt onder meer in dat de materiaalvoorziening van onze economie meer en meer wordt gebaseerd op hernieuwbare, natuurlijke materialen (bio-based). Ook proberen we een steeds zuiniger gebruikte bereiken van eindige grond- en hulpstoffen, water en energie, waardoor de hoeveelheid afval per eenheid product steeds minder wordt. De circulaire economie van gesloten stofstromen start met het slim ontwerpen en het gebruik van afgedankte materialen naar producten met een gelijke of hogere waarde.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1
Artikel 4.1.4
Afval en nazorg
Onderdeel van Milieuplan provincie Groningen 2017-2020