Naar hoofdinhoud

Artikel 2

De beoordeling

Onderdeel van Regeling Beoordelen Berg en Dal 2017

1.. De leidinggevende stelt de beoordeling over de medewerker op. 2.. Een beoordeling vormt de onderbouwing van een rechtspositionele besluit. Een beoordeling vindt tenminste plaats als: Een tijdelijke aanstelling al dan niet wordt omgezet in een vaste aanstelling; Een aanloopschaal al dan niet wordt omgezet in een functionele schaal; Een extra periodiek wordt toegekend bij structureel uitmuntend functioneren; Een reguliere periodieke verhoging niet wordt toegepast vanwege onvoldoende functioneren; Bij disfunctioneren een verbetertraject moet worden opgestart; en Bij ernstig disfunctioneren een disciplinaire maatregel genomen moet worden. 3.. Een beoordeling kan daarnaast plaatsvinden op verzoek van zowel leidinggevende als medewerker. 4.. Beoordeeld wordt de periode die van belang is voor die beoordeling: bij een beoordeling van een tijdelijke aanstelling: de duur van de tijdelijke aanstelling, bij een aanloopschaal: de laatste zes maanden; bij een extra periodiek wegens uitmuntend functioneren de periode van uitmuntend functioneren (minimaal twaalf maanden); Bij het niet toekennen van een reguliere periodieke verhoging een periode van 12 maanden; bij disfunctioneren: een periode van zes maanden; bij een verbetertraject: de periode tussen twee beoordelingen. 5.. De beoordeling bevat een oordeel van de leidinggevende over de geleverde resultaten (kwalitatief en kwantitatief) afgezet tegen de gemaakte resultaatafspraken en het functioneren (kennis vaardigheden en gedrag) van de medewerker. 6.. De leidinggevende geeft een oordeel op basis van argumenten. Deze argumenten schrijft hij op het formulier beoordeling. Het oordeel kan zijn: uitmuntend, goed, voldoende, onvoldoende of zeer onvoldoende

Rechtspraak bij dit artikel