Ter zake van het parkeren op meterplaatsen geschiedt het in werking stellen van de parkeerapparatuur door het inwerpen van muntstukken van € 0,05, € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 of € 2,00;
Er dienen ten minste zoveel muntstukken in de parkeerapparatuur te worden geworpen als nodig zijn om de gewenste parkeerduur te kunnen parkeren.
Indien bij het parkeren op meterplaatsen gebruik wordt gemaakt van parkeerapparatuur welke na inwerkingstelling een parkeerkaartje afgeeft, dient dit parkeerkaartje met de tijdsaanduiding aan de bovenzijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit van het motorvoertuig te worden aangebracht.
In afwijking van het bepaalde onder de leden 1 tot en met 3 kan het in werking stellen van de parkeerapparatuur tevens geschieden via een telefonische aanmelding bij een mobiele parkeerprovider.
Wanneer niet aan voornoemde voorwaarden is voldaan, wordt de belasting geheven bij wege van voldoening op aangifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 onderdeel b van de Verordening parkeerbelasting geldt de betalingstermijn zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 6 van de Verordening parkeerbelasting.
Artikel IV.