Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 2.2

Criteria

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo

Een ondersteuningsvrager komt in aanmerking voor een op het individu toegesneden voorziening als: deze behoort tot de doelgroep van de Wmo 2015 respectievelijk de Jeugdwet, en eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen geen adequate oplossing bieden voor de ondervonden problemen of beperkingen. Als een op het individu toegesneden voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. De doelgroepen van de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn nader gedefinieerd in de Beleidsregels. Het uitgebreid tot in de detail beschrijven van de criteria om voor een op het individu toegesneden voorziening in aanmerking te komen, verhoudt zich niet goed tot het uitgangspunt om meer ruimte te creëren voor de professional om, in samenspraak met degene die ondersteuning behoeft, te zoeken naar een adequate oplossing of adequate ondersteuning. Volstaan wordt met het beschrijven van de doelgroepen die op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 mogelijk in aanmerking kunnen komen voor een op het individu toegesneden voorziening en een aantal basis- en aanvullende criteria. Daarnaast worden de uitsluitingsgronden nader toegelicht. Om te bepalen of iemand tot de doelgroep behoort van de Wmo 2015 of de Jeugdwet moet worden gekeken naar de woonplaats en in het geval van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet naar de leeftijd. Daarnaast is niet onbelangrijk dat er sprake moet zijn van specifieke problemen of beperkingen die worden ondervonden en waarvoor in het kader van de beide wetten ondersteuning kan worden geboden. 2.2.1.1 Woonplaats In het algemeen geldt dat alleen ingezetenen van de gemeente Almelo in aanmerking komen voor een op het individu toegesneden voorziening; voor jeugdigen is de woonplaats van de ouders of degene(n) die het gezag over de jeugdige uitoefende(n) bepalend. Er zijn echter uitzonderingen: voor beschermd wonen en opvang (Wmo 2015) geldt dat iedere ingezetene van Nederland in aanmerking kan komen voor deze voorzieningen. Als het gezag over de jeugdige berust bij een instelling (instellingsvoogdij) of bij een pleegoudervoogd is de woonplaats van degene die voorafgaand aan de voogdij door de instelling of pleegouder het gezag uitoefende bepalend. 2.2.1.2 Leeftijd Voor een op het individu toegesneden voorziening in het kader van de Jeugdwet geldt dat de doelgroep in het algemeen beperkt is tot degenen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Hierop zijn enkele uitzonderingen: noodzakelijk voortzetten of hervatten (binnen 6 maanden na beëindiging van de jeugdhulp die voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar was aangevangen) van de jeugdzorg; voortzetting jeugdhulp na de leeftijd van 18 jaar in verband met arbeidsmarkttoeleiding; bij gebruik van de verwijsindex risicojongeren (VIR); bij toepassing van het jeugdstrafrecht. In bovenstaande situaties kan, totdat de leeftijd van 23 jaar is bereikt, een voorziening in het kader van de Jeugdwet worden verstrekt. Dit geldt niet voor voorzieningen waarvoor op basis van andere wettelijke regelingen vanaf de leeftijd van 18 jaar aanspraak kan worden gemaakt. Dit geldt onder andere voor de op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Wmo 2015 (zie beleidsregel 2.1-1) maar ook de voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet. 2.2.1.3 Specifieke problemen of beperkingen In de Wmo 2015 wordt de doelgroep afgebakend tot ingezetenen die in verband met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen niet voldoende zelfredzaam zijn of niet in staat zijn tot participatie. Voor de voorziening beschermd wonen is de doelgroep verder beperkt tot ingezetenen die in verband met psychische of psychosociale problemen of licht verstandelijke beperkingen in combinatie met ernstige gedragsstoornissen niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving. Voor de voorziening opvang geldt dat de ingezetene niet in staat is zich te handhaven in de maatschappij en de thuissituatie moet hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De doelgroep in het kader van de Jeugdwet is minder afgebakend. Jeugdigen en ouders vallen onder de werking van de Jeugdwet als er bij de jeugdige sprake is van: (chronisch) psychische problemen, stoornissen en aandoeningen; psychosociale problemen; gedragsproblemen; verstandelijke beperkingen; lichamelijke beperkingen; somatische aandoeningen; zintuigelijke beperkingen. Of als er bij de ouder(s) sprake is van: opvoedingsproblemen. Waar in de Wmo 2015 duidelijk een link wordt gelegd met beperkingen en stoornissen is dat in de Jeugdwet niet het geval: gedrags- en opvoedingsproblemen zijn wat dat betreft rekbare begrippen en breed uit te leggen. Dit betekent dat de gemeente ten aanzien van jeugdigen een zeer uitgebreide verantwoordelijkheid heeft. Als problemen worden ondervonden als gevolg van verminderde mobiliteit zal onderzocht moeten worden of ondanks de beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer of van (algemene) voorzieningen dichter bij huis die ondanks de beperkingen zonder op het individu toegesneden voorzieningen wel bereikbaar zijn. In het algemeen geldt binnen Almelo dat de afstand tussen woonadres en bushalte maximaal 400 meter bedraagt. Indien vastgesteld wordt dat een ondersteuningsvrager in 20 minuten meer dan 400 meter kan lopen, is geen sprake van een beperking waarvoor een op het individu toegesneden voorziening in het kader van ondersteuning mobiliteit noodzakelijk is. Voor de Wmo voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit geldt bovendien dat de beperkingen blijvend moeten zijn. Verstrekking van een voorziening vindt alleen plaats als dit langdurig nodig is. Een uitzondering op deze hoofdregel kan worden gemaakt voor roerende voorzieningen en vervoermiddelen als geen of niet langer gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid tot het lenen van deze voorzieningen en middelen bij een thuiszorgwinkel. Dit kan het geval zijn als de revalidatie na een operatie langer duurt dan 26 weken. Echter bij sommige thuiszorgorganisaties of ledenverenigingen en ziektekostenverzekeraars is een langere leentermijn van toepassing. Ook kan in individuele gevallen een uitzondering worden gemaakt voor vervoermiddelen die alleen gehuurd kunnen worden bij een thuiszorgwinkel. Dit kan het geval zijn als het vervoermiddel noodzakelijk is om te kunnen deelnemen aan de maatschappij of om de zelfredzaamheid te vergroten en de huur van het vervoermiddel (gedurende een langere periode) niet in het bestedingspatroon van de ondersteuningsvrager past. Indien een uitzondering op de hoofdregel wordt gemaakt en de voorziening bij wijze van uitzondering toch wordt verstrekt, wordt de voorziening altijd in bruikleen dus in natura verstrekt. Een persoonsgebonden budget is in deze situatie niet aan de orde. 2.2.2 Op het individu toegesneden voorziening als vangnet Eigen kracht De op het individu toegesneden voorziening is aan de orde als andere oplossingen niet adequaat zijn. De beoordeling of andere oplossingen dan de op het individu toegesneden voorziening voldoende soelaas bieden om de zelfredzaamheid te vergroten of de maatschappelijke deelname te bevorderen, vindt plaats in overleg met de ondersteuningsvrager. Hierbij wordt steeds gekeken of de ondersteuningsvrager zelf, op eigen kracht, een oplossing kan realiseren. Wanneer het vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de eigen problemen (eigen kracht) ontoereikend is, wordt beoordeeld of en hoe dit vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de ondervonden problemen door de ondersteuningsvrager vergroot kan worden. Bij het aanspreken van de eigen kracht moet dan ook meer gedacht worden aan het versterken of aanleren van de vaardigheden (bijvoorbeeld het leren ordenen van de administratie of het leren koken) dan aan iets materieels (het beschikken over een aanmerkelijk inkomen of vermogen). Bij het op eigen kracht kunnen realiseren van een oplossing mag niet worden gekeken naar de financiële positie van de ondersteuningsvrager. De financiële positie wordt beoordeeld bij het opleggen van de eigen bijdrage. Gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp uit sociale netwerk Als op eigen kracht geen oplossing kan worden gerealiseerd, wordt gekeken of binnen het sociale netwerk (waaronder gebruikelijke hulp en mantelzorg) voorzien kan worden in de ondersteuningsbehoefte. Ten aanzien van gebruikelijke hulp zijn nadere regels gesteld (beleidsregels 2.2-1 tot en met 2.2-3). Bij de beoordeling of een beroep kan worden gedaan op het sociale netwerk zal ook moeten worden beoordeeld of er geen overbelasting dreigt te ontstaan of dat er al sprake is van overbelasting van personen uit het sociale netwerk. Tijdens het onderzoek (zie hoofdstuk 1) zal dan ook een netwerkanalyse moeten plaatsvinden.

Rechtspraak bij dit artikel