Om te bepalen of de gemeente overgaat tot het benoemen van meer toegesneden gebiedsgerichte ambities dan in het MBP 2004–2007 zijn vastgelegd, worden de volgende stappen gevolgd. Uitgangspunt daarbij is dat het alleen zin heeft om een ambitie vast te stellen voor een gebied, als er ook maatregelen kunnen worden genomen om deze te verbeteren, of ontwikkelingen voorzien zijn die deze kwaliteit kunnen aantasten.

  • - Vanuit het beschermen van de kwetsbare functies van gebieden, richt de gemeente zich in eerste instantie op woonwijken en het buitengebied.
  • - Ten behoeve van de nulmeting wordt geïnventariseerd in welke woonwijken en welke gedeelten van het buitengebied, maatregelen kunnen worden uitgevoerd die de bestaande gebiedskwaliteit kunnen verbeteren. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan het aanbrengen van een stiller wegdek of het stellen van aanvullende eisen aan bedrijven.
  • - Ook de gebieden waar (grootschalige) voorzieningen gepland zijn die de gebiedskwaliteit negatief kunnen beïnvloeden (bijvoorbeeld door de verkeersaantrekkende werking, of de productie van geluid), worden benoemd.
  • - Op basis van het overzicht uit 2 en 3 maakt de gemeente de keuze voor welke gebieden de gebiedskwaliteit wordt vastgelegd.
  • - De huidige referentieniveaus van de onder 4 geselecteerde gebieden worden bepaald. Dit gebeurt met behulp van bestaande referentieniveau metingen van de Servicedienst Midden-Nederland die in overleg met de Servicedienst Midden-Nederland worden aangevuld (tot het niveau van een nulmeting) zodat een inzicht in de gebiedskwaliteit ontstaat.
  • - Op basis van de referentieniveaus gaat de gemeente na of de ambitiewaarden uit het milieubeleidsplan 2004–2007 moeten worden aangepast.
  • - De, eventuele aangepaste, ambitiewaarden worden verankerd in het nieuwe Milieubeleidsplan.

Ambitiekwaliteiten

Als de gemeente er voor kiest voor bepaalde gebieden ambitiekwaliteiten te benoemen, dan kunnen deze de volgende functie krijgen:

  • - De ambitiekwaliteiten vormen het toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Er dient voor te worden gezorgd dat bij ontwikkelingen de gebiedskwaliteit niet verslechtert.
  • - Indien in de bestaande situatie de kwaliteit niet aan de gebiedsgerichte streefwaarde voldoet, wordt er naar gestreefd de lokale afwijkingen/knelpunten op te lossen.
  • - Via ruimtelijke inrichtingsmaatregelen wordt getracht de gewenste ambitiekwaliteit te bereiken. Mocht dit onvoldoende resultaat opleveren, dan moet door middel van bron-, overdrachts- of effectmaatregelen worden getracht deze alsnog te bereiken.

Uit de bijlage van het Provinciaal Milieubeleidsplan 2004–2008 van de provincie Utrecht zijn voor de gebiedstypen, die op Leusden van toepassing kunnen zijn, de volgende ranges af te leiden waartussen de ambitiekwaliteit van een gebied zich kan begeven:

Tabel 1

GebiedstypenAmbitiekwaliteit in dB(A)Klasse uit PMP
Centrum Dorps45-552-3
Groen-stedelijk45-501-2
Bedrijven Milieu55-654
Landelijk gebied 140-452
Landelijk gebied 240-522-3
Landelijk gebied 3<40-451-2
Landelijk gebied 4<401

Bovenstaande ranges voor de verschillende gebiedstypen zijn indicatief. De uiteindelijke ambitiekwaliteit die de gemeente voor de onderscheiden gebieden vaststelt, dient te zijn afgestemd op de functies in het gebied (horeca, wonen, recreatie, agrarische activiteiten, verkeer), de huidige kwaliteit, de voorziene ontwikkelingen in een gebied en de mogelijkheden om de kwaliteit te verbeteren.

De actuele kwaliteit bevindt zich in de praktijk per gebiedstype meestal ergens in de range tussen het ambitieniveau en het wettelijk niveau. Indien het ambitieniveau wordt vastgesteld op het actuele niveau wordt een stand-still situatie gecreëerd. Uitgangspunt bij het realiseren van de ambitiekwaliteit is dat 90% van het gebiedsoppervlak aan deze waarde dient te voldoen. De 10% van het gebied dat van de ambitiewaarde mag afwijken, bevindt zich doorgaans ter plaatse van de eerstelijns bebouwing.