Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE EDE 2017

Eerste en tweede lid Deze artikelen zijn gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en grotendeels overeenkomend met de oude verordening. Ze zijn geschreven naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de nieuwe instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd en hier onder artikel 2, sub c, is toegevoegd. In de Erfgoedwet is de instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten, die in rechterlijke uitspraken werd vastgesteld, expliciet bij wet geregeld. De eigenaar dient het monument zodanig te onderhouden dat instandhouding gewaarborgd is. Een vergelijkbaar artikel is opgenomen in de aankomende Omgevingswet, waarin dit artikel uit de Erfgoedwet zal worden overgenomen. Het gaat over het behoud van het monument en niet over het ontbreken van een likje verf. De meeste monumenteigenaren steken veel toewijding in het onderhoud van hun monumentale pand. Liefde voor het eigen monument is vaak een drijfveer, net als het besef dat tijdig onderhoud bijdraagt aan het behoud van waarde. Er zijn echter ook misstanden. Wanneer onderdelen van het monument (bijvoorbeeld dak, muren, schilderwerk of constructie) langdurig niet onderhouden zijn, de onderhoudstermijn aantoonbaar is verlopen en deze situatie tot gevolg heeft dat de instandhouding van het monument gevaar loopt en de kosten om deze gebreken te herstellen snel stijgen, wordt de instandhouding verzaakt. Voor uitzonderingsgevallen is er de mogelijkheid gecreëerd om een vergunning te verlenen voor het onthouden van normaal onderhoud, bijvoorbeeld omdat dat disproportioneel zou zijn vanwege de kosten. Omdat de rechterlijke uitspraken de facto al zorgden voor een instandhoudingsplicht, verandert er voor gemeenten als bevoegd gezag weinig. De mogelijkheid direct een beroep op de wet- en regelgeving te doen, biedt gemeenten nu wel een helder kader en een duidelijke basis om in voorkomende gevallen met eigenaren die hun monument niet onderhouden in gesprek te gaan over hun verantwoordelijkheden. Artikel 10 voorziet niet in de voorbereidende werkzaamheden voor een omgevingsvergunning, zoals de indieningsvereisten voor aanvragen of het vooraf uitvoeren van cultuurhistorisch onderzoek, omdat de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) hierin reeds voorziet. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid om van deze vereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag wel zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Op grond van een aanvraag tot wijziging van een monument kan voor de beoordeling een cultuurhistorisch onderzoek van belang zijn. Het college bepaalt op grond van hoofdstuk 5 van de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), afhankelijk van de aard en omvang van de ingreep, welke vorm van onderzoek noodzakelijk is en dat (de uitkomst van) het onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag te kunnen komen. Hierbij moet, blijkens jurisprudentie, wel sprake zijn van evenredigheid tussen (de omvang van) de wijziging van het monument en de betekenis ervan voor de monumentale waarde in relatie tot (de omvang van) het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Voor een aantal typen onderzoek zijn landelijke richtlijnen vastgesteld. Derde lid Bij (gebouwde en aangelegde) gemeentelijke monumenten zijn diverse ingrepen denkbaar waarvoor een vergunningprocedure geen aanzienlijke meerwaarde voor het monument oplevert, maar die wel hinderlijk is voor eigenaren. Eigenaren wachtten daardoor in het verleden vaak te lang op een vergunning voor minimale ingrepen. Het beeld ontstond daardoor dat een eigenaar van een monument “geen spijker in de muur mag slaan” zonder een vergunning. Dit beeld schaadt ook het imago van de monumentenzorg. In dit lid zijn daarom vier categorieën activiteiten gespecificeerd waarvoor geen omgevingsvergunning meer nodig is. Ten opzichte van de oude verordening betekent dit een uitbreiding met twee nieuwe categorieën. De eerste categorie, onderdeel a, betreft gewoon onderhoud. De omschrijving voorziet in een codificering van randvoorwaarden waaraan vergunningsvrij normaal onderhoud dient te voldoen. Mits bij gewoon onderhoud detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort én kleurstelling niet wijzigen, is geen omgevingsvergunning meer vereist. Bij gewoon onderhoud geldt dat de werkzaamheden het bestaande werk zoveel mogelijk dienen te respecteren. Materiaalvervanging geschiedt daarom alleen in dezelfde materiaalsoort en met dezelfde verschijningsvorm en detaillering. Voor alle duidelijkheid, dit betekent dus dat voor zover er sprake is van een geval van gewoon onderhoud, waarbij detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen, maar wel de kleur, de activiteit niet omgevingsvergunningsvrij is. Wanneer er sprake is van een beschermde (groen-) aanleg, zoals bij tuinen en parken, betekent de bepaling ten aanzien van gewoon onderhoud dat het herstel van de opbouw en het profiel van paden met hetzelfde (van elders aangevoerde) materiaal en het inboeten van beplanting met dezelfde soort en cultivar vergunningsvrij is. De variëteit van de beplanting dient gelijk te blijven; de cultivar mag niet wijzigen. Schilderwerk waarbij alle oudere afwerkingslagen worden verwijderd of schilderwerk waarbij de kleurstelling of het verfsysteem wordt gewijzigd, valt niet onder de vergunningsvrije activiteiten. Oude verflagen bevatten immers veel informatie over de kleurtoepassingen en verfsamenstellingen in het verleden en vertellen daarmee veel over de ontwikkelingsgeschiedenis van een pand. Het schilderen met een dampdicht verfsysteem blokkeert de migratie van vocht uit een gebouw en kan op termijn tot schade leiden. Het vervangen van historisch glas door nieuw (isolatie) glas, zeker als de glasroeden en raamkozijnen worden vervangen, is evenmin vergunningsvrij gezien de materiaalvervanging waarvan sprake is. De tweede categorie vergunningsvrije activiteiten, onderdeel b, betreft activiteiten die uitsluitend leiden tot inpandige veranderingen aan onderdelen die vanuit een oogpunt van monumentenzorg aantoonbaar geen waarde hebben. Hiervoor is immers geen beoordeling in het licht van de monumentenzorg nodig. In veel gevallen gaat het om onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden. In de praktijk zal het vaak gaan om het verwijderen van gebouwdelen die geen onderdeel uitmaken van het oorspronkelijke ontwerp of de gewaardeerde (en daardoor beschermde) jongere gebruiks- en ontwikkelingsgeschiedenis van het monument. De onderdelen zijn niet typerend of vernieuwend voor de desbetreffende periode, en ook niet van algemeen belang vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Te denken valt aan het verwijderen van recente hard- en zachtboard betimmeringen of gipsplaten, recente scheidingswanden, een moderne keuken- of badkamerinrichting en verlaagde plafonds. Bij twijfel over de monumentale waarde kan een initiatiefnemer contact opnemen met de medewerkers monumentenzorg van de gemeente. Dergelijke inpandige veranderingen aan onderdelen die geen verband houden met de aanwijzing van het monument, behoeven geen beoordeling uit het oogpunt van monumentenzorg. Het vertrouwen en de verantwoordelijkheid zijn dus hier bij de eigenaar neergelegd. De toevoeging van onderdelen c en d betreft een uitbreiding van de categorie vergunningsvrije activiteiten ten opzichte van de oude verordening. Deze onderdelen zijn voor gemeentelijke monumenten naar analogie geschreven met de aan te wijzen ‘vergunningsvrije gevallen’ voor rijksmonumentenactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met inbegrip van de daarbij geïntroduceerde bepalingen ten aanzien van monumentale begraafplaatsen (onderdeel c) en archeologie (onderdeel d). Het Bal vormt één van de vier nadere Algemene maatregelen van bestuur ter verdere uitwerking van de aankomende Omgevingswet. De Bal bevat de rechtstreeks werkende regels die het Rijk stelt aan activiteiten van burgers, bedrijven of overheden in de fysieke leefomgeving en beschrijft welke regels gelden, welke ruimte er is om af te wijken van de regels en wanneer een vergunning nodig is. Vierde lid De meldingsplicht is een randvoorwaarde waaronder de vergunningsvrije werkzaamheden in lid 3 mogelijk kunnen worden gemaakt. Hiermee kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat vragen vanuit de samenleving, of zelfs verzoeken tot toezicht, controle en eventueel stilleggen van in werking gezette werkzaamheden, enkel vanwege de onbekendheid met het vergunningsvrije karakter hiervan, onverhoopt leiden tot (nieuwe) belemmeringen in de uitvoering. Dit kan dientengevolge bij zowel monumenteneigenaren als overheid leiden tot een onwenselijke toename van de lastendruk, hetgeen voorkomen kan worden door deze werkzaamheden tijdig te melden aan het college. In het geval van nieuwe begravingen is een meldingstermijn van twee weken niet realistisch, vandaar dat hier een uitzondering voor is opgenomen. Vijfde lid In de verordening is, conform het voorstel daartoe uit de VNG-modelverordening, de mogelijkheid opgenomen voor het college om nadere regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop activiteiten dienen te worden uitgevoerd. Zesde lid In geval van een calamiteit zoals bijvoorbeeld brand, stormschade, aardbeving of overstroming kan de vergunningplicht nadelig uitwerken voor een monument omdat het dan van belang kan zijn om direct tot maatregelen over te gaan die verdere vervolgschade aan een gemeentelijk monument zoveel mogelijk kunnen beperken. De maatregelen zijn dan van een dusdanige aard dat ze niet vergunningsvrij kunnen worden uitgevoerd en de urgentie is dermate hoog is dat hiervoor een omgevingsvergunningprocedure niet kan worden afgewacht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel