Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Aanwijzing en voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument

Onderdeel van ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE EDE 2017

Eerste lid Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor rijksmonumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen over de voorbereiding en totstandkoming van het besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument, zoals bekendmaking of horen van de aanvrager en andere belanghebbenden. Dit is namelijk al geregeld in (paragraaf 3.2 van) de Wabo en in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tweede lid Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Derde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen. Vierde lid Voor waardenstellend cultuurhistorisch onderzoek in het kader van een procedure tot aanwijzing als gemeentelijk monument bestaat als zodanig geen wettelijke verplichting. Een besluit moet inhoudelijk echter zorgvuldig worden voorbereid en gemotiveerd waardoor waardenstellend cultuurhistorisch onderzoek in de praktijk vaak noodzakelijk is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel