Naar hoofdinhoud
1.. Het pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand als volgt opgebouwd: met 8% van de door de ambtenaar in die maand genoten bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag niet lager kan zijn dan de minimumvakantie-uitkering per maand, genoemd in de in artikel C.4, eerste lid, bedoelde bijlage 2, onderscheidenlijk dan een bedrag naar rato hiervan bij een niet volledige arbeidsduur of bij genot van slechts een deel van de bezoldiging; met 8,3% van het door de ambtenaar in die maand genoten salaris; en met 3,4% van het in die maand genoten salaris voor de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt die lager is dan schaal 14 en met 2,85% voor de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt die gelijk is aan of hoger dan schaal 14. 2.. Het niet pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand opgebouwd met 1,92% van het door de ambtenaar in die maand genoten salaris. 3.. De vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 5 van de IKAP-regeling provincies wordt maandelijks opgenomen in het pensioengevend deel van het IKB op basis van het gemiddelde aantal meer te werken uren per maand gedurende de periode dat de ambtenaar meer uren werkt. 4.. Op aanvraag van de ambtenaar kunnen gedeputeerde staten vaste maandelijkse toelagen opnemen in het pensioengevend deel van het IKB.

Rechtspraak bij dit artikel