Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren dan wel terugvorderen wanneer gebleken is dat:
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel heeft gebruikt;
er eerder een persoonsgebonden budget is verleend op grond van de verordening dan wel de hieraan voorafgaande verordening(en) en de cliënt zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van dat eerdere persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;
de cliënt geen budgetplan kan aanleveren, zoals omschreven in de nadere regels;
aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het persoonsgebonden budget adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord is;
er naar het oordeel van college het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of degene die cliënt hierbij ondersteunt, problemen heeft bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
de cliënt een mobiliteitshulpmiddel dan wel een roerende voorziening aanvraagt en in een zorginstelling met of zonder behandeling verblijft;
de cliënt niet voldoet aan de overige aan het PGB verbonden voorwaarden, genoemd in de Wmo, deze Verordening en/of het Besluit nadere regels.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 15.
Uitsluitingsgronden PGB
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Veenendaal