• - Om aanspraak te kunnen maken op een gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang in een geregistreerde opvangplaats dient de aanvrager te behoren tot tenminste één van de volgende categorieën:
    • - de doelgroepen genoemd in artikel 22 van de wet, te weten
      • - Ouders die deelnemen aan een arbeidstoeleidingstraject en een uitkering ontvangen op grond van:
        • - de Wet werk en bijstand (Wwb) inclusief tienermoeders;
        • - de Wet inkomensvoorziening Kunstenaars (Wik);
        • - de Algemene Nabestaanden Wet (ANW);
        • - de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);
        • - de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
        • - de Werkeloosheidswet (WW)
      • - Herintreders (met verdienende partner) met een trajectplan (zogenaamde NUG-er - niet uitkeringsgerechtigde)
      • - Arbeidsgehandicapten op grond van de wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (wet Rea) die gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
      • - Nieuwkomers die een inburgeringstraject volgen op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN)
      • - Oudkomers vanaf het moment dat het voor hen verplicht wordt om een inburgeringstraject te volgen;
      • - Tienermoeders / studenten die een opleiding / studie volgen;
    • - de aanvragers en/of partners hebben een lichamelijke, zintuiglijke of psychische beperking, waardoor kinderopvang naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht;
    • - de aanvragers en/of partners hebben een kind waarvoor kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht.
  • - Het college laat zich bij het bepalen van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld onder lid 1 sub b. en c. adviseren door een nader door het college aan te wijzen onafhankelijke deskundige.
  • - Het college kan ten behoeve van de onafhankelijke deskundige nadere regels stellen ter beoordeling van de omstandigheden als genoemd in lid 1 sub b. en c. die kunnen leiden tot de conclusie dat kinderopvang noodzakelijk is.