Naar hoofdinhoud
1.. De bomenverordening is van toepassing op: bomen en houtopstanden binnen de bebouwde kom, als bedoelt in artikel 4.1, onderdeel a van de Wet natuurbescherming; bomen en houtopstanden op erven en in tuinen buiten de bebouwde kom als bedoelt bij onderdeel a; hoogstamfruitbomen; uit populieren of wilgen bestaande beplantingen, niet zijnde een wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; geknotte populieren of wilgen; lanen of bomenrijen, buiten de bebouwde kom, als bedoelt bij onderdeel a, waarvan het totaal over de rijen niet meer dan 20 stuks bedraagt; houtopstanden welke een afzonderlijke eenheid vormen, buiten de bebouwde kom als bedoelt bij onderdeel a, met een kleinere oppervlakte dan 10 are en; solitaire bomen in of langs landbouwgronden. 2.. De houtopstanden als bedoelt in lid 1, onderdelen b, f, g en h bestaan niet uit windschermen om boomgaarden, naaldbomen jonger dan 20 jaren bedoelt als kerstboom, kweekgoed of vruchtbomen, zonder inbegrip van hoogstamfruitbomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel