In de Wro staat het bestemmingsplan centraal en dat vormt daarmee voor de gemeente het belangrijkste ruimtelijke instrument. Dat was al zo voor 2008 toen de oude Wet op Ruimtelijke Ordening (WRO) nog van kracht was. Deze rol is herbevestigd in de Wro van 2008. De bestemmingsplannen worden één keer per 10 jaar geactualiseerd. Verleende afwijkingen uit die periode worden daarin meegenomen. Daarnaast kan voor een ontwikkeling een herziening van het bestemmingsplan worden opgesteld, ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd. Een dergelijk bestemmingsplan heeft alleen betrekking op het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt. Ook de postzegelplannen worden meegenomen bij de reguliere herziening van het bestemmingsplan.
Een herziening van het bestemmingsplan is, evenals een omgevingsvergunning volgens de uitgebreide procedure, een tijdrovende procedure. Dit geldt zowel voor de gemeente als voor een initiatiefnemer. Een herziening van het bestemmingsplan wordt alleen toegepast wanneer er geen lichte afwijkingsprocedure kan worden gevoerd of wanneer er geen omgevingsaanvraag met een uitgebreide procedure wordt doorlopen. Dit wordt toegelicht in paragraaf 1.3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan ligt bij de gemeenteraad. Voor het voeren van een bestemmingsplanprocedure op verzoek, moet voorafgaand een positief principebesluit genomen zijn door het college.
Artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wabo bepaalt dat er op drie manieren afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De procedures variëren van licht tot zwaar;
via een afwijking die in het bestemmingsplan is aangegeven (binnenplanse afwijking),
via een 'kruimelgevallenregeling' (buitenplanse afwijking) die in de Bor is opgenomen of,
via een omgevingsvergunning (uitgebreide procedure) waarbij met een ruimtelijke onderbouwing moet zijn aangetoond dat het plan voldoet aan 'een goede ruimtelijke ordening’.
Deze mogelijkheid om van het bestemmingsplan af te wijken is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Die regels geven voorwaarden voor het verlenen van de afwijking. Een aanvraag wordt getoetst aan deze voorwaarden. De aanvraag omgevingsvergunning volgt een reguliere procedure (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 van de Wabo).
In bijlage II, artikel 4 van het Bor is de zgn. kruimellijst opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw, nutsvoorzieningen of verandering van het gebruik. Het betreft gevallen waarvoor een afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend met een reguliere procedure (artikel 2.12, eerste lid, onder a. onder 2 van de Wabo).
Voor overige verzoeken om afwijking van het bestemmingsplan kan gebruik gemaakt worden van de buitenplanse ontheffing met een uitgebreide procedure (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo). De procedure lijkt qua tijdsbestek op dat van een partiële herziening van het bestemmingsplan. Aan het besluit voor de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Die voorschriften kunnen het gevolg zijn van ingewonnen advies of verklaring van geen bedenkingen van derden, waaronder de raad.
Een besluit om een omgevingsvergunning te verlenen volgens de uitgebreide procedure moet net als bij een bestemmingsplan via de elektronische weg bekend worden gemaakt. Dat wil zeggen dat het plangebied en de omgevingsvergunning ook op de website www.ruimtelijkeplannen.nl wordt gepubliceerd. Aan de bestanden van de vergunning worden daarom eisen gesteld, waaronder dat de bestanden aan de IMRO-coderingen moeten voldoen. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning hoeft niet op de website gepubliceerd te worden (artikel 6.14 Bor). Het besluit moet zijn voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. In artikel 5.20 Bor wordt verwezen naar artikel 3.1.6 van het Bro. In dit artikel is een aantal eisen gesteld waaraan een ruimtelijke onderbouwing moet voldoen.
De bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning met een uitgebreide procedure ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Hierbij moet een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad worden gevraagd, tenzij de gemeenteraad een lijst met categorieën van gevallen heeft vastgesteld waarin geen verklaring is vereist. In Bloemendaal heeft de raad diverse categorieën van gevallen aangewezen. Zie bijlage 1voor de lijst met die categorieën.
Naast een omgevingsvergunning of bestemmingsplan bestaat nog een ander ruimtelijk instrument, namelijk de coördinatieregeling. Deze regeling maakt het mogelijk dat diverse vergunningenprocedures en het bestemmingsplan gelijktijdig worden doorlopen. De besluiten worden gezamenlijk voorbereid volgens Afdeling 3.4 van de Awb. Dat betekent dat de ontwerpbesluiten gezamenlijk ter inzage worden gelegd. Daardoor kan er in één keer op alle gecoördineerde besluiten zienswijzen worden ingebracht.