Zoals gezegd kan met een omgevingsvergunning van de regels van het bestemmingsplan worden afgeweken. Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen direct als aanvraag om afwijking van het bestemmingsplan worden aangemerkt als de bouwactiviteit in strijd is met dat bestemmingsplan.
Anders dan bij de uitgebreide procedure zoals hierboven is omschreven, worden aan de onderbouwing van de aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 en 2, van de Wabo minder strenge eisen gesteld. Een ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 5.20 van de Bor is niet vereist. Toch geldt voor binnenplanse en buitenplanse afwijkingsprocedures ook de eis van een goede ruimtelijke ordening. Een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning moet in dat kader een goede motivering bevatten, waarin wordt aangegeven waarom de omgevingsvergunning ruimtelijk aanvaardbaar is.
De bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 en 2, van de Wabo) is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Dat betekent dat er beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid bestaat. Krachtens de Algemene wet bestuursrecht kiest het college van burgemeester en wethouders ervoor om met deze nota die beleidsvrijheid deels in te vullen. Daarnaast geldt naast deze nota ook de nota bijgebouwen 2017, welke op gelijk met deze nota door het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad is vastgesteld. Deze nota bindt zowel het college als de gemeenteraad, afhankelijk van welk bestuursorgaan bevoegd is om een besluit te nemen.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.4
Lichte en tijdelijke afwijkingen van het bestemmingsplan
Onderdeel van Nota Ruimtelijke Beoordeling 2017