Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Aanwijzing Opiumwet

Onderdeel van Coffeeshopbeleid gemeente Lochem 2017

De Aanwijzing Opiumwet (geldend vanaf 1 maart 2015) is door het college van procureurs-generaal vastgesteld. De aanwijzing heeft betrekking op de opsporing en vervolging van personen die delicten uit de Opiumwet begaan. In de aanwijzing wordt bijzondere aandacht besteed aan de bestuurlijke en strafrechtelijke aspecten van het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops. Uitgangspunt van het beleid is het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico’s van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen. Daartoe worden voor cannabis, dat tot de lijst II-middelen (softdrugs) behoort, speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd. De achterliggende gedachte is te voorkomen dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs). In de Aanwijzing Opiumwet zijn de criteria benoemd waaraan coffeeshops moeten voldoen, de AHOJGI-criteria. Op grond van deze criteria is het voor een coffeeshop verboden te: Afficheren (geen enkele vorm van reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende inrichting); Harddrugs te verhandelen (voorhanden hebben en/of verkopen); Overlast te veroorzaken (parkeeroverlast, geluidshinder, vervuiling, rondhangende klanten); Jeugdigen onder de 18 jaar in de coffeeshop toe te laten of aan hen te verkopen; Grote hoeveelheden te verhandelen (niet meer dan 5 gram per persoon per transactie) of op voorraad te hebben (niet meer dan 500 gram); toegang te verlenen en te verkopen aan anderen dan Ingezetenen van Nederland (per 1 januari 2013).

Rechtspraak bij dit artikel