**1..** De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag wordt als volgt vastgesteld:
voor personen met een periodieke uitkering wordt de aflossingsverplichting bepaald op het voor beslag vatbare bedrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
indien belanghebbende geen uitkering (meer) ontvangt, geldt dat de aflossing op de wijze wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.
**2..** De belanghebbende komt in aanmerking voor buiten invorderingstelling van het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen als:
gedurende ten minste 3 jaar aaneengesloten aan de aflossingsverplichting is voldaan;
onder het in onderdeel a genoemde “aan de aflossingsverplichtingen is voldaan” wordt tevens gerekend de periode dat de belanghebbende geen of een onvolledige afloscapaciteit had, of;
gedurende 3 jaar niet (volledig) aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald.
Het buiten invorderingstelling van de restantschuld na 3 jaar gebeurt ambtshalve.
**3..** De termijn van 3 jaar wordt verlengd als een belanghebbende niet gedurende 3 jaar aaneengesloten heeft afgelost, bijvoorbeeld wegens het tussentijds betalen van een bestuurlijke boete, en na de onderbreking de aflossing op de leenbijstand wordt voortgezet tot de periode van 3 jaar is bereikt.
**4..** Indien leenbijstand wordt verleend terwijl op dat moment nog op een eerder verleende leenbijstand wordt afgelost, wordt de aflossing op de oudste leenbijstand voortgezet. Tegelijkertijd dient bij het verlenen van de nieuwe leenbijstand te worden besloten om de aflossing hierop voor de duur van de reeds lopende aflossing op nihil te stellen. Nadat tot buiten invorderingstelling van het restant van de oudste leenbijstandvordering is overgegaan of de leenbijstand is afgelost, dient aansluitend te worden afgelost op de nieuwe leenbijstand. Voor de maximale aflossingsperiode van 3 jaar op de nieuwe leenbijstand tellen dan de maanden waarover de aflossing op nihil werd gesteld, wel volledig mee.
**5..** Op dit artikel is het bepaalde van artikel 15 lid 6 eveneens van toepassing.
**6..** Er wordt niet tot een buiten invorderingstelling, als bedoeld in lid 2, overgegaan indien:
geen, onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt over het inkomen, waardoor het college de hoogte van de aflossingsverplichting op een te laag bedrag heeft vastgesteld;
de belanghebbende verwijtbaar nalatig blijft gevraagde bewijsstukken te overleggen waardoor de rechtmatigheid van de verstrekking niet kan worden vastgesteld;
de belanghebbende binnen een jaar na bijstandsverlening niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed.
HOOFDSTUK 4
Artikel 18