De uitspraak van de CRVB van 11 januari 2016 over de toetsing aan financiële draagkracht bij vaststelling van het boetebedrag is niet opgenomen in de gewijzigde Participatiewet en het Boetebesluit 2017. De nadere uitvoering is daarom in deze beleidsregels uitgewerkt.
Als er sprake is van een lopende uitkering dan verrekent de gemeente de boete verplicht via de uitkering Participatiewet, IOAW of IOAZ. Als de belanghebbende geen uitkering meer ontvangt dan moet de belanghebbende zelf voor aflossing zorgdragen.
Voor de berekening van de afloscapaciteit wordt een fictieve draagkracht vastgesteld. Uitgangspunt is dat 10% van de toepasselijke bijstandsnorm als fictieve draagkracht geldt. De gemeente neemt hierbij de regels van de beslagvrije voet in acht.
Er mag ook rekening worden gehouden met vermogen, ook het vermogen beneden de vermogensgrens van de Participatiewet.
Bij de vaststelling van de draagkracht, voor de verrekening met de bijstandsuitkering of de aflossing, wordt uitgegaan van de beslagvrije voet zoals vastgelegd in artikel 475d van het Wetboek voor burgerlijke rechtsvordering. In deze beleidsregels is vastgelegd dat het college bij de berekening van de ruimte in het inkomen, uitgaat van de beslagvrije voet van 90% zoals het betreffende artikelnummer aangeeft en rekening houdt met zorgpremie, de woonkosten en kind gebonden budget, verminderd met ontvangen zorg- en huurtoeslag, overeenkomstig de regels van het beslagrecht.
De belanghebbende behoudt het recht om op verzoek de beslagvrije voet afwijkend te laten vaststellen, en kan vragen om ook met andere financiële verplichtingen rekening te houden.
In 2018 wordt de beslagvrije voet bij wet bepaald op 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is op 7 maart 2017 aangenomen door de Eerste kamer. De beoogde inwerkingtreding is in 2018.
Tot de middelen waarmee de boete moet worden betaald worden ook de vrijgelaten inkomensbestanddelen gerekend zoals benoemd in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet. Alleen de eventuele middelen genoemd onder n, r en y van deze bepaling zijn voor betaling van de boete uitgezonderd. Motivering hiervoor is dat het sanctionerend effect van de boete in evenwicht moet zijn met eventueel stimuleringsbeleid.
Het vrij te laten bescheiden vermogen uit artikel 34 van de Participatiewet wordt gebruikt voor betaling van de boete. Van het vermogen wordt een bedrag van 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm niet in aanmerking genomen voor de betaling. In deze keuze werkt door het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Schending van de informatieplicht kan hebben geleid tot onrechtmatige verhoging of niet aanwenden van het vermogen. Als sanctie daarvan (een deel van) de boete betalen is redelijk. Met de vrijlating van een minimumbedrag blijft de belanghebbende perspectief houden om zelf te voorzien in onverwachte of te verwachten extra financiële lasten.
Wanneer sprake is van een opgelegde boete en terugvordering van uitkering, zal de boete als eerste worden geïnd. Reden hiervoor is dat de boete niet preferent is.
Hoofdstuk 3.
Artikel 5.
Invordering van de boete
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Meierijstad 2017 A