Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 18

- Citeerwijze

Onderdeel van Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek

Deze regeling wordt aangehaald als: Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek. Bijlage 1 Toelichting op de Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek Inleiding Sinds 2012 werken de gemeenten Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem samen op het gebied van Werk en Inkomen. Deze samenwerking werd tot nog toe alleen vorm gegeven op basis van afspraken vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten. Gelet op de verwachtte schaalvoordelen van regionale samenwerking en het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 is besloten om de samenwerking te formaliseren in de vorm van een centrumregeling op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Aangaan centrumregeling Voor het aangaan van een centrumregeling op basis van de Wgr door colleges, dienen de deelnemende colleges toestemming te vragen aan hun gemeenteraden (art. 1, lid 2 Wgr). De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Deelnemers Aan de centrumregeling nemen de colleges van burgemeester en wethouders deel van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem. De gemeente Alphen aan den Rijn wordt aangewezen als centrumgemeente. Hiermee is sprake van een enkelvoudige centrumregeling. Wanneer er meer gemeenten zijn die taken uitoefenen voor andere deelnemers is er sprake van een meervoudige centrumregeling. Het ligt voor de hand om Alphen aan den Rijn aan te wijzen als centrumgemeente, aangezien deze de rol als centrumgemeente op grond van de Participatiewet al vervult. Uit efficiency oogpunt is er voor gekozen om taakuitvoering waar mogelijk te concentreren bij één centrumgemeente. Bijlage 2 Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 – Doel en belang Artikel 10, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het belang ter behartiging waarvan de regeling is getroffen in de regeling staat vermeld. Artikel 3 – Centrumgemeente De vorm voor samenwerking voor de uitvoering van de in de regeling genoemde deelgebieden Participatiewet is een centrumregeling op grond van artikel 8 lid 4 Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Dit is de meest lichte –geformaliseerde – publieke samenwerkingsvorm die mogelijk is voor overheden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een gemeenschappelijk openbaar lichaam, wordt bij een centrumregeling geen nieuwe organisatie met rechtspersoonlijkheid in het leven geroepen. Ook kent een centrumregeling geen formeel besluitvormend orgaan zoals een algemeen of dagelijks bestuur of bestuurscommissie. Bij een centrumregeling kan worden bepaald dat daarin omschreven bevoegdheden van bestuursorganen of van ambtenaren van de aan de regeling deelnemende gemeenten (regiogemeenten), voortaan in mandaat kunnen worden uitgeoefend door bestuursorganen of ambtenaren van een van de deelnemende gemeenten (de centrumgemeente). De basis voor deze vorm van samenwerking wordt gelegd in de tekst van de centrumregeling. Per deelnemer kunnen er vervolgens in een dienstverleningsovereenkomst nadere afspraken worden gemaakt. In dit artikel wordt Alphen aan den Rijn aangewezen als centrumgemeente. Artikel 4 – Taken De taken die gedefinieerd zijn onder deze regeling worden beschouwd als een minimum pakket dat gelijk is voor alle deelnemende gemeenten. In onderling overleg kan het takenpakket worden uitgebreid of aangepast; dat kan gezamenlijk door aanpassing van de regeling of van de dienstverleningsovereenkomst met de betreffende regiogemeente. Alphen aan den Rijn zal haar rol als centrumgemeente voor de deelgebieden in de zin van de Participatiewet in de geest van deze regeling invullen. Het gaat daarbij zowel om de bestaande wettelijke taken (re-integratie), als de nieuwe wettelijke taken op basis van de Participatiewet (beschutte arbeidsplaatsen) en uitvoering van de resterende taak uit de voormalige WSW). De taken die krachtens de centrumregeling worden opgedragen aan de centrumgemeente, worden door de colleges bijgehouden in een register. Dit is in lijn met artikel 27 Wgr. Artikel 5 – Bevoegdheden Per deelnemende gemeente moet een mandaatregeling worden gemaakt, waarin de relevante bevoegdheden van het college aan het college van Alphen aan den Rijn wordt gemandateerd. Ook dient een volmacht te worden verstrekt voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen. Bevoegdheden die niet worden overgedragen, zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen en beleid op basis van de Participatiewet, blijven bij het bestuursorgaan dat (oorspronkelijk) de bevoegdheden bezit. De samenwerking richt zich op overleg en afstemming tussen de deelnemende gemeenten met betrekking tot de genoemde deelgebieden in het sociale domein. Verbetering van kwaliteit en het benutten van schaalvoordeel is leidend. Artikelen 7 Dienstverleningsovereenkomst Binnen de variabelen die binnen de centrumregeling wordt vastgelegd, kan de centrumgemeente met de afzonderlijke regiogemeenten dienstverleningsovereenkomsten afsluiten. Tussen de colleges wordt een dienstverleningsovereenkomst gesloten waarin nadere uitwerking wordt gegeven aan de regeling opgenomen taken. In deze dienstverleningsovereenkomst wordt tenminste geregeld: • De uitvoeringskaders; • De kwaliteitseisen waaraan de taakuitoefening door Alphen aan den Rijn moet voldoen; • De uitwerking van de kostenverdeelsleutel c.q. de wijze waarop de deelnemende gemeenten een financiële bijdrage leveren in de kosten die Alphen aan den Rijn maakt voor de uitvoering van de krachtens de regeling opgedragen taken en bevoegdheden; • De informatieplicht en verantwoordingsplicht van het college van de gemeente Alphen aan den Rijn aan de overige colleges van de deelnemende gemeenten; • De wijze waarop de colleges van de gemeenten elkaar informeren over het niet nakomen van hun verplichtingen en de gevolgen die zij daaraan verbinden. In een dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente Alphen aan den Rijn en elke andere deelnemer afzonderlijk wordt per taakgebied of per taak nadere uitwerking gegeven aan de regeling. Tevens regelt de DVO het mandaat dat aan de centrumgemeente wordt verleend. Artikel 8 Wijzigen van de regeling De gemeenschappelijke regeling dient bepalingen te bevatten over de wijziging ervan (artikel 9, lid 1 Wgr). Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot wijziging. Voor een ondergeschikte wijziging van de centrumregeling is alleen de instemming van alle deelnemende colleges van B&W vereist. Voor een niet ondergeschikte wijziging van de centrumregeling is toestemming van de gemeenteraden van alle deelnemers en besluitvorming in alle colleges vereist. Voordat een wijziging wordt doorgevoerd, is instemming van de deelnemende colleges vereist. In het artikel is opgenomen, welke wijzigingen van de regeling onder een niet ondergeschikte wijziging vallen, waardoor er hiervoor de toestemming van de gemeenteraden is vereist. De toestemming van de raad kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Het wijzigen van een dienstverleningsovereenkomst vereist instemming van de betreffende regiogemeente(n) en de centrumgemeente. Toestemming van de raad is niet noodzakelijk. Artikelen 9, 10 en 11 – toetreding, uittreding en opheffing Een gemeenschappelijke regeling die voor onbepaalde tijd is getroffen (zie artikel 13 van de regeling) dient bepalingen te bevatten omtrent opheffing, toetreding en uittreding (artikel 9, lid 1 Wgr). Het eerste jaar na het aangaan van de regeling is toetreding van nieuwe deelnemers niet mogelijk. Dit om de deelnemers in de nieuwe regeling de kans te geven onderling hun draai te vinden en om tijdige besluitvorming over het aangaan van de regeling te stimuleren. Toetreding van nieuwe deelnemers na het eerste jaar vergt een wijziging van de regeling. Dit kan op voorstel van elk van de deelnemers. Toetreding kan plaatsvinden, nadat zij hiertoe onderling overeenstemming hebben bereikt. Het besluit tot wijziging van de regeling hierover vindt plaats na toestemming van hun gemeenteraden. Uittreding van deelnemers is de eerste drie jaar niet mogelijk. Na deze periode kan uittreding niet eerder worden geeffectueerd dan een jaar na afloop van het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Na de eerste drie jaar wordt een ‘opzegtermijn’ van een halfjaar gehanteerd. Wanneer de regeling wordt aangegaan per 1 januari 2018, zal de eerste mogelijkheid om uit te treden 1-1-2021 zijn, op voorwaarde dat de betreffende deelnemer dit voor 1-7-2020 conform de centrumregeling heeft aangekondigd. Afhankelijk van de in het DVO vastgelegde prijsafspraken kan bij uittreding een eindafrekening plaatsvinden. Bij vaste prijsafspraken is een eindafrekening niet aan de orde, met uitzondering van de dienstverlening aan de WSW-medewerkers én met inachtneming van een vast te leggen termijn. Uittreding van deelnemers vergt een wijziging van de regeling. Ook kan naar aanleiding van de uittreding besloten worden de regeling op te heffen. Na een daartoe strekkend besluit van de colleges van twee derde van de deelnemers zal de regeling worden opgeheven. Bij besluitvorming telt de stem van iedere gemeente even zwaar. Artikel 12 – Evaluatie De centrumregeling en de behaalde resultaten (op KPI niveau) zullen binnen drie jaar na aangaan worden geëvalueerd door een onafhankelijke organisatie onder gezamenlijk opdrachtgeverschap van de deelnemers. De resultaten van deze evaluatie zullen worden verstrekt aan de deelnemende colleges. Artikel 13 – Duur De voorkeur wordt gegeven aan een regeling voor onbepaalde tijd ten opzichte van een regeling voor bepaalde tijd. Wanneer na evaluatie geconcludeerd wordt dat de regeling effectief is en voortzetting behoeft, hoeft hiervoor geen nieuwe regeling in het leven te worden geroepen. Bij een regeling voor bepaalde tijd zou de regeling op een in de regeling genoemde datum vervallen. Artikel 14 – Geschillen Artikel 28 van de Wgr bepaalt dat geschillen omtrent de toepassing van de regeling door gedeputeerde staten worden beslecht, tenzij deze onder de bevoegdheid van een rechter vallen. Onverminderd deze bepaling worden geschillen over de regeling onderworpen aan een niet- bindend deskundigenadvies. Voordat dit daadwerkelijk gebeurd, dient de kwestie besproken te worden in een afvaardiging van de deelnemende colleges. Wanneer dit niet tot een oplossing leidt benoemen de colleges elk een onafhankelijk deskundige. Deze deskundigen benoemen gezamenlijk een deskundige die als voorzitter van de adviescommissie optreedt. De colleges van de deelnemende gemeenten treden gezamenlijk op als opdrachtgever van de adviescommissie. Met het oog op de aan het optreden van de onafhankelijke deskundigen verbonden kosten zijn hierover bepalingen opgenomen in de regeling. Artikel 15 – Inzending Het college van de gemeente Alphen aan den Rijn draagt zorg voor het insturen van de regeling aan Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland. Dit geldt ook voor het geval de regeling wordt gewijzigd. Artikel 16 – Archivering De archivering met betrekking tot de door de gemeente Alphen aan den Rijn uitgevoerde taken geschiedt op basis van de bepalingen die deze gemeente ook voor haar eigen processen hanteert. Hierbij worden in ieder geval de van toepassing zijnde wet- en regelgeving in acht genomen, zoals (maar niet uitsluitend) de bepalingen uit de Archiefwet, de Wet bescherming persoonsgegevens, en de Participatiewet. Artikel 17 – Inwerkingtreding De regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop het laatste deelnemende college deze regeling bekend heeft gemaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel