De volledige tekst van artikel 13b van de Opiumwet, luidt:
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
In artikel 13b Opiumwet wordt verwezen naar lijst I en II van de Opiumwet.
Artikel 2 Opiumwet
verwijst naar middelen
Artikel 3 Opiumwet
verwijst naar middelen
vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II
aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van art. 2, lid 2, Opiumwet
aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van art. 3, lid 2, Opiumwet
aangewezen bij ministerieel besluit op grond van art. 2, lid 3, Opiumwet
de middelen die op lijst I staan, dan wel zijn of worden aangewezen vallen onder de categorie
HARDDRUGS
de middelen die op lijst II staan, dan wel zijn of worden aangewezen vallen onder de categorie
SOFTDRUGS
Dit beleid gaat niet alleen over drugshandel in de traditionele zin van het woord. De hennepteelt en handel in Nederland is de afgelopen 20 jaar zo geprofessionaliseerd en gecriminaliseerd dat enkel de hennepteelt al tot dusdanige overlast en verstoring van de openbare orde leidt dat hier tegen opgetreden dient te worden. Het houden van een hennepplantage waarbij er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, beschouwen we in dit beleid als drugshandel in de zin van artikel 13b Opiumwet.
Van belang hierbij is dat uit vaste jurisprudentie volgt dat uit het woord ‘daartoe’, zoals genoemd in artikel 13b Opiumwet, volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs de bevoegdheid geeft tot toepassing van 13b Opiumwet. Het is niet nodig dat er bewijs is van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Verder is van belang dat de werking van de Opiumwet zo ver reikt dat 13b Opiumwet ook kan worden toegepast als het gaat om delen van de (hennep)plant indien de hars hier niet aan onttrokken is. Dit volgt uit artikel 1, eerste lid, sub b en lijst II van bijlage 1 van de Opiumwet. In het vervolg van deze beleidsregel dient daar waar over drugshandel, handel of illegale verkooppunten wordt gesproken ook te worden begrepen hennepplantages.
In de Aanwijzing Opiumwet1Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0036356/2015-03-01 van het Openbaar Ministerie is vastgelegd wat wordt aangemerkt als een “geringe hoeveelheid voor eigen gebruik”. Een grotere hoeveelheid wordt aangemerkt als een handelshoeveelheid. Wij sluiten aan bij de Aanwijzing Opiumwet.
Invulling door het OM sinds januari 2016 is als volgt: voor harddrugs geldt dat meer dan 0,5 gram harddrugs (bijvoorbeeld cocaïne / amfetamine), 1 pil / tablet (bijvoorbeeld XTC), 1 bolletje, 1 wikkel en 5 ml GHB (bijvoorbeeld 1 ampul / buisje / consumptie-eenheid GHB) wordt aangemerkt als een handelshoeveelheid. Voor hennepproducten geldt dat meer dan 5 gram wordt aangemerkt als een handelshoeveelheid. Bij hennepkwekerijen wordt de aanwezigheid van maximaal vijf planten in beginsel aangemerkt als een “niet-bedrijfsmatige teelt”. Daarbij wordt echter ook de mate van professionaliteit van de kwekerij en het winstoogmerk in beschouwing genomen. Voor softdrug qat geldt dat meer dan 1 bundel (ca. 200 gram) een handelshoeveelheid is. Voor verdere details en voor paddo’s wordt verwezen naar de meeste recente Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs.2Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0037984/2016-06-01
In het kader van dit beleid is sprake van een handelshoeveelheid als aangetoond of aannemelijk is dat in het pand sprake is (geweest) van middelen als bedoeld in de meest recente Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. Het bezit van 6 tot en met 30 gram hennep of 6 tot en met 20 hennepplanten als vermeld op lijst II Opiumwet wordt in het kader van dit beleid beschouwd als een “kleine handelshoeveelheid”.
In de Algemene wet bestuursrecht is een volledige paragraaf gewijd aan de last onder bestuursdwang, namelijk paragraaf 5.3. Deze paragraaf begint met artikel 5:21 waarin is aangegeven wat onder bestuursdwang moet worden verstaan, namelijk: de herstelmaatregel inhoudende:
** a. .** een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
** b. .** de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Gebruikmaken van de bestuursdwang wordt in beginsel pas toelaatbaar geacht wanneer:
er sprake is van een verboden situatie en/of een overtreding van een wettelijk voorschrift;
én het belang van daadwerkelijk optreden zorgvuldig wordt gemotiveerd;
én de op te leggen maatregel in redelijke verhouding staat met de overtreding (met andere woorden, dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit).
Bestuursdwang is een reparatoire maatregel. Anders dan een punitieve maatregel is bestuursdwang niet gericht op bestraffing of leed toevoeging, maar op het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van een overtreding. Gelet op de aard van de overtreding zal de overtreding onmiddellijk ongedaan moeten worden gemaakt of moeten worden beëindigd.
Uitvoering van bestuursdwang betekent - in het kader van de uitvoering van dit beleid – dat het lokaal of de woning bij sluiting ook feitelijk namens het bestuursorgaan wordt gesloten. Dit kan op verschillende manieren uitgevoerd worden. Bijvoorbeeld een houten plaat tegen het kozijn, het veranderen van het slot of de cilinder van het slot.
De sluiting is feitelijk van aard, en brengt met zich mee dat de woning of het lokaal door niemand mag worden betreden. Het gebouw mag alleen worden betreden als de burgemeester daartoe toestemming heeft verleend. In de regel wordt slechts toestemming verleend in geval van een dringende en/of zwaarwichtige reden. Daarom moet een schriftelijk en gedetailleerd verzoek worden ingediend, waaruit in ieder geval duidelijk moet blijken voor wie het verzoek geldt, voor welk doel en voor welke periode.
In geval van uitzonderlijke omstandigheden zal gebruik gemaakt worden van de afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht.